is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor weinige heeft men een naam. Als grondsmaken kennen we zout, zuur, zoet en bitter. In alle spijzen en dranken komen ze in oneindige variatie gemengd voor. Zondert men een bepaalden grondsmaak kunstmatig af en legt men die in eetbare dingen vast, dan ontstaat snoepgoed: zoute drop, zuurtjes, suikertjes, „bittertjes". Naarmate de prikkel en dus de gewaarwording toeneemt, zoo zagen wij vroeger reeds, nemen ook de begeleidende gevoelens toe. Tot een zekere graad is bereikt, daar lustgevoelens boven een bepaalde grens in onlust plegen om te slaan. Zoo zal na gebruik van al te veel „snoepgoed" vanzelf walging optreden. Wordt een kind aan een bepaald soort overvoerd, dan belieft het dit niet meer. In den regel, wanneer het tot walging niet is gekomen, vindt aanpassing plaats, echter in dien zin, dat, om lustgevoelens te blijven smaken, de prikkel sterker, veelvuldiger of langduriger moet werken. De ongeremde snoeper, drinkebroer, rooker, ze moeten het alle hebben van de gestadige toename aan intensiteit, kwantiteit of duur. De gewenning aan de sterke, specifieke prikkels is van dien invloed, dat de gewone, gemengde prikkels, zooals de natuurlijke spijzen en dranken die bieden, hun bekoring goeddeels verliezen. De afstomping is daarmede een feit geworden en het nadeel voor het lichamelijk welzijn, ofschoon moeilijk te berekenen, voor kinderen stellig niet gering.

Denzelfden gang van zaken kan men zich denken in hoogere gevoelskringen, waarbij dan echter aan een physiologische verklaring heelemaal niet meer te denken valt. Wie de leer van Adler en Künkel ook maar zeer oppervlakkig kent, weet, welk een ruime plaats verwenning en verwaarloozing daar innemen. Verwenning bestaat heusch maar niet enkel in teveel snoepgoed geven, in een teveel aan liefkoozingen, streelingen, vertroetelingen e.d. Grooter gevaar nog dreigt juist ten aanzien van de hoogere, van sympathiegevoelens met name. Verwenning toch heeft direct ten gevolge, dat de sympathiegevoelens van meet aan streng eenzijdig gericht blijven, dat het kind zich veel te eng blijft aansluiten aan zeer weinig personen, meest alleen aan de ouders. Toespitsing aan de ééne zijde brengt onvermijdelijk afstomping aan de andere zijde met zich.

Doordat het verwende kind van de prilste jeugd af aan te veel lekkers genoot, te veel streeling, te veel genoegens, te veel bewondering, te veel eer — bij een minimum aan inspanning zijnerzijds, groeit het gevoelsleven te eenzijdig naar de lichtzijde toe, kan het de schaduw zelfs niet verdragen. Vroeg of laat komt in het „harde" leven, waarop het kind niet voorbereid werd, de teleurstelling. En deze is de groote gevoelsafstomper.

Dat verwaarloozing en evenzoo een al te strenge opvoeding — de laatste vaak voortgesproten uit de bedoeling, vooral niet te verwennen — een gewenschte ontplooiing in den weg staan en zoodoende afstomping in de hand moeten werken, behoeft geen betoog.

Licht en schaduw beide moet het kind van jongs af aan leeren verdragen. Rustige, natuurlijke regelmaat moet er zijn. Licht en schaduw mogen niet al te snel wisselen. Te scherpe overgangen gaan niet zelden de psychische spankracht te boven en banen zoo den weg tot hysterische overgevoeligheid. Men moet niet het eene oogenblik koesteren en vertroetelen, het volgende oogenblik om een luttele overtreding slaan en schelden. Bovenal hoede men zich ervoor, naïeve gevoelsuitingen van het