Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kind te belachen of te bespotten. Met een schok zet zich het besef vast, dat gevoelens uiten en zich belachelijk maken bijeen behoor en. Er ontstaat „valsche schaamte", en ook dit is een vorm van afstomping.

Er zijn nog andere gevallen. Al te veel bezinning over eigen gevoelens, een om zoo te zeggen te philosophisch toegespitste houding, welke de waarde en den zin der lustgevoelens in twijfel trekt en aan het ongerepte, emotioneele streefleven frischheid en fleur ontneemt, opzettelijke en onwillekeurige verdringingen van opwellingen, niet het minst allerlei vormen van geblazeerdheid, d.w.z. die hautaine houdingen, waarbij men het als voornaam beschouwt of waarbij men zich te hoog acht of te wereldwijs of te ontwikkeld of te ervaren om nog gevoelens te hebben, althans te toonen, dit alles schaadt het gevoelsleven in algemeenen zin, stompt het af, doet het verdorren.

Een funeste invloed, op het gemoedsleven der kinderen wel het sterkst, gaat er uit van het gejaagde cultuurleven der groote steden, van misstanden met ondraaglijke spanningen in huiselijken kring, van echtscheidingen, van broodzorgen en crisisdruk.

Bij den modernen, nerveuzen mensch is de „Fühlfahigkeit", de normale „aanspreekbaarheid" van het gevoel geworden tot prikkelbaarheid. En deze geïrriteerdheid is, zoo merkt Künkel terecht op, juist omgekeerd evenredig aan de sensibiliteit. Gezonde sensibiliteit is berekend op een breed belevingsveld, op een liefdevol medevoelen met anderen; ze is een naar alle zijden gerichte, altoos gereede ontvankelijkheid van gevoelsbelevingen, verbonden met een gezond en krachtig, zakelijk streefleven. De geïrriteerdheid daarentegen, de nerveuze overgevoeligheid bestrijkt een uiterst beperkt gebied; ze is benepen, eng, overdreven en gaat steeds gepaard met eenzijdig gerichte, steeds het lieve ik en deszelfs eigenwaarde bedoelende strevingen. Over deze ik-zuchtige houding bij den mensch heeft Künkel zeer leerzame dingen in pakkenden vorm weten te zeggen.

Onder leiding van Ludwig Klages schreef de laatste jaren een steeds grooter wordende groep van denkers over de spanning tusschen „geest" en „leven", over de verbrokkelende, vernielende, afstompende werking, welke het spitsvondige, gecultiveerde intellect vermag uit te oefenen op het natuurlijke leven en daarmede op het gevoel. Klages noemt den geest den vijand van het leven. Elke bezinning stoort het beleven. Zoolang de beleving ongerept aanhoudt is bezinning uitgesloten; geluk en leed kent men eigenlijk pas, zoo meent hij, wanneer ze voorbij zijn. Evenmin als Nietzsche en Von Hartmann is Klages met het „bewustzijn" ingenomen. Ter verduidelijking van wat Klages c.s. op het oog hebben kan de fabel van „Schildpad en duizendpoot" dienst doen. Een duizendpoot liep prachtig met z'n „duizend" pooten; van der jeugd af aan, onbewust, zonder het ooit opzettelijk te hebben geleerd, zoo geheel van nature. Totdat op zekeren dag de schildpad hem de fatale vraag stelde, hoe hij dat toch precies aanlegde met al die pooten. Het beest was nu verplicht, erover na te denken. Het kwam er niet uit; het strompelde, het struikelde.... en verlamde ten slotte.

Zooals zij den geest stellen tegenover het leven zoo plaatsen zij en velen met hen de cultuur tegenover de natuur en vervolgens de groote stad tegenover het platteland. In de groote stad wordt veel, zeer veel leven

Sluiten