Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dostojewski vertelt van een jongen luitenant, die in een deftig gezelschap op eens zich voorstelde, dat hij een aanwezigen ouden generaal bij zijn oor pakte en door de kamer trok. De jonge man kwam van de voorstelling tot de daad en vernietigde daarmede zijn carrière.

Omgekeerd kunnen zij ook wel eens iets aardigs hebben. Een gierigaard kan wel eens onder een bepaalden indruk vrijgevig wezen en een hatelijke natuur wel eens vriendelijke dingen doen. Psychologisch hebben wij in al zulke gevallen te doen met een partieele reactie.

In de meeste kleine handelingen in het leven (het opsteken van een sigaar, het maken van een wandeling, het kiezen van een das enz.) hebben wij uiteraard zeer vaak te doen met ideomotorische reacties. Er zyn menschen die bijna uitsluitend tot zulke handelingen in staat zijn, bij wie ge altijd alleen met een stuk van hun ziel, en nooit met hun „ik" te doen hebt.

De vraag kunnen wij ons hierbij stellen waardoor dit mogelijk is dat in een bepaald oogenblik alleen een provincie tot activiteit gebracht wordt en de kracht van de andere strevingen niet tot bewustzijn komt. Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier te doen met een associatie die een emotioneel karakter draagt. Er is een zekere stemming, een gevoelstoestand die de strijdende sentimenten dissocieert en alleen overeenkomstige wakker roept. Dat kan vooral bij die menschen gemakkelijk gebeuren bij wie de vroegere inhouden weinig persevereeren. Dat het vermogen tot partieele reacties in de practijk vaak zeer nuttig is, behoeft wel geen nader betoog. Er zijn maar zoo weinig handelingen die het waard zijn dat het ik als geheel de handeling draagt. Een economische strekking drijft er toe zooveel mogelijk handelingen als het ware reflexief te doen plaats vinden.

Dat overigens hoogstaande menschen vaak echter bepaalde zonden kunnen doen, zonder dat er in hen een stem tegen protesteert, is wel iets zeer merkwaardigs. Daar heeft het gevoel, de momenteele streving zulk een invloed op het gebeuren verkregen dat groot gevaar wordt opgeleverd. Dit is daarom vooral zoo eigenaardig, omdat het contrast op zichzelf al een motief tot associatie is. Het zou dus natuurlijk wezen dat b.v. de neiging om te stelen de contrasteerende neiging wakker riep. Dat dit laatste juist niet gebeurt, wijst op een zekere desorganisatie van het zieleleven, een soort ban of betoovering die de contrasteerende krachten tijdelijk weet uit te schakelen.

In de derde plaats tenslotte hebben wij te doen met de zuivere wilshandeling. Het kenmerkende in de wilshandeling is dat de voorstelling wel bepaalde energieën oproept die tot een handeling dringen, maar dat deze handeling niet tot stand komt zonder dat het „ik" haar als het ware gesanctioneerd heeft. De verschillende tegen-energieën zijn uitgewogen, het ik als georganiseerd geheel zet de handeling door. Er ligt in de wilsdaad altijd een oordeel besloten, een oordeel dat veelal eerst na een moment van aarzeling, bezinning, kon geveld worden. Daarom gevoelen wij in de wilshandeling een grootere verantwoordelijkheid, het ik heeft de daad gesanctioneerd. De tegenkrachten zijn niet uitgeschakeld maar hebben ook htm stem gehad. Dat het ik nochtans tot die daad besloot, rust in het feit dat de motieven die wel tot de handeling dreven, sterker waren. Zulk

Sluiten