Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrij, omdat ze dan zelf achter de daad staat, zelf de handeling bepaalt.

ƒ. Een mensch kan dan ook alleen gestraft worden omdat en voorzoover zijn daden een uitvloeisel zijn van zijn natuur. Niet de daad wordt gestraft, maar de mensch. De mensch lijdt pijn. Die verdient hij alleen dan wanneer die zondige daad door zijn wezen bepaald was. Hij wordt dus niet gestraft omdat hij „vrij" (in den zin van willekeur) was, maar juist omdat hij niet vrij was, omdat zijn handeling door zijn zondige natuur bepaald was. De straf verdient hij te meer wanneer maar niet een oogenblikkelijke opwelling de zonde veroorzaakte, maar zorgvuldige uitweging van alle motieven haar te voorschijn bracht. Hoe dieper een persoon in een daad betrokken is, hoe meer heel zijn natuur zich er in uitspreekt, hoe meer hij zich er mee vereenzelvigt, des te grooter is ook zijn schuld.

Een andere vraag die ons kan interesseeren is deze: heeft een mensch ook invloed op zijn begeerten? Deze heerschappij is slechts indirect. Elke daad werkt niet alleen naar buiten, maar ook naar binnen. Een bepaalde hartstocht wint aan kracht naarmate wij er vaker aan toegeven. Een driftige die zichzelf niet bedwingt wordt al driftiger, een dronkaard al meer verslaafd aan den drank. Elke daad laat een spoor in onze ziel achter, hetzij een vuile smet, hetzij een lichtende glans. Door zich stelselmatig schrap te zetten tegen een begeerte, kan men langzamerhand de kracht van die begeerte verzwakken, en dus indirect invloed uitoefenen op zyn verborgen hartstochtleven.

Deze heerschappij is dus niet rechtstreeks. Dat is de tragiek van de bekeering. Men kan wel in een oogenblik van liefde tot God zeggen: ik wil de zonde niet meer. Maar diep in de ziel liggen nog altijd die tallooze sluimerende zondeverlangens, die slechts wachten op een oogenblik van slapheid om opnieuw aan te grijpen. Een mensch kan zich nooit in een oogenblik tenvolle omkeeren. Altijd begint de omkeering centraal, verlegt ze het evenwicht van de persoonlijkheid, en eerst van daaruit straalt ze uit over de peripherie.

Dieper kunnen wij hier op deze zaken niet ingaan. Dat ligt buiten het bestek van een psychologische verhandeling. Welke consequenties dit standpunt meebrengt ten opzichte van allerlei vragen van theologischen en philosophischen aard, kan hier niet breeder worden uitgewerkt.

In het algemeen mag men zeggen dat het determinisme in zooverre gelijk heeft, als het er op gewezen heeft dat een wilsdaad niet in de lucht hangt maar een steunpunt noodig heeft. Dat steunpunt is niet in de eerste plaats de maatschappij, de omgeving, of de natuurwet (in den geest van de mechanistische associatie-psychologie), maar het is de ziel zelf die in den wil zichzelf bepaalt tegenover de wereld waarmee zij te doen heeft.

* *

31. Wilskracht en wilszwakte.

Er bestaat onder de menschen allerlei verschil ten opzichte van het wilsverloop. Lang niet alle menschen zijn even groote wilsmenschen, bij

Sluiten