Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zooals in de principieele anthropologie meestal één dezer gebieden tot het „wezenlijke" in den mensch wordt geproclameerd, evenzoo ziet men dat ook de meeste karakterschema's hun basis vinden in één bepaald gebied. Zoo is Spranger's typologie berekend op den mensch als geestdrager; Heymans en Jung zien in den mensch vooral psychische wezensKretschmer en de meeste medische karakterologen nemen hun uitgangspunt in s menschen stoffelijk bestaan.

De idealistische en de naturalistische beschouwingswijze doet zich telkens als om strijd in de karakterologie gelden. Voor den idealist moet alles, wat een mensch wezenlijk kenmerkt, in den geest verankerd liggen.

a, m het extreme geval is het de geest, opgevat als rede of verstand of persoon, welke autonoom, dus vrij, het gansche karakter schept en bepaalt. Schiller zei: „Karakter is de vrije daad van de rede". Het vrije bewuste „wils-ik" heeft alle gedragingen in zijn macht. Al wat de mensch verder is, het lichaam, de driften en neigingen, kortom: de heele psychosomatische natuur met al wat daaruit voortkomt is onvoorwaardelijk onderworpen aan het almachtige, bewuste, vrije „zelf". Stemmingen, gemoedsbewegingen, neigingen en wat dies meer zij, het wordt alles beheerscht, omgevormd, desnoods vernietigd. — Cursussen voor zelfopvoeding, voor opvoeding tot persoonlijkheid oriënteeren zich in den regel naar deze idealistische zienswijze.

Omgekeerd ontbreekt in de naturalistisch getinte schemata het begrip vrijheid ten eenenmale. De mensch met zijn karakter is het product van natuurlijke processen. Erfelijke of aangeboren disposities bepalen wetmatig zijn constitutie, zijn temperament, zijn primaire eigenschappen. In niets is de mensch vrij, alles in hem is gedetermineerd.

Een karakterleer, welke alle gebieden omsluit, is er niet. Misschien is de meest omvattende nog die van Ludwig Klages, welke ook daarom te gecompliceerd is, om ze in kort bestek behoorlijk te bespreken. Rümke heeft in zijn bovengenoemd werkje er bijzondere aandacht aan geschonken Een enkele, algemeen bevredigende karakterleer is ook niet mogelijk. Onder meer ook daarom niet, omdat zulk een leer niet tegelijk statisch en tevens genetisch zijn kan. In het ééne schema vraagt men n.1. naar e geheel van karaktertrekken, die aanwezig zijn; in het andere stelt men zich ten doel, de genese, het ontstaan der karaktereigenaardigheden te ontdekken en te formuleeren.

Bovendien doet zich nog een andere kwestie voor. In den laatsten tijd zijn er psychiaters naar voren gekomen, artsen, staande in het volle leven van hun practijk, die het gedrag van den mensch en daarmede zijn karakter als volgt bezien. Ze zeggen: de sociale relaties, d.w.z. de betrekkingen usschen mensch en medemensch, tusschen mensch en omgeving zijn voor het zieleleven en voor de karakterontwikkeling van het hoogste belang. Het karakter is door die relaties ten volle bepaald. Niet de mensch als geestdrager en evenmin de mensch naar zijn lichamelijk bestaan, maar de mensch als levend individu naast andere individuen, de mensch in z n positie tegenover arbeid en omgeving behoort te worden onderzocht Niet het mtra-individueele maar het inter-individueele is centraal. Men denke hier aan Adler en Künkel.

Hun karakterleer is niet idealistisch en op den keper beschouwd ook

Sluiten