Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen van nature zich harmonisch ontwikkelen. Evenwel, het ideale geval doet zich nooit voor. Verkeerde houdingen der opvoeders, invloeden van uit de omgeving roepen factoren op, welke remmend inwerken. De dynamische, finale krachten van het individu richten zich nu niet op hetgeen dienstig is voor het samenleven, doch dienen eenzijdig den enkeling. Als de voornaamste der ongunstige invloeden zijn verwenning en verwaar loozing te beschouwen.

3. Minusgevoelens. Zijn de omstandigheden niet al te ongunstig, is het kind gezond, heeft het geen opvallende lichaamsgebreken, is het niet al te leelijk, niet al te zeer ontmoedigd, dan blijft de weg tot rustige aanpassing open. In zeer vele gevallen leiden de remmende factoren tot isoleering. De weg tot nieuwe vormen van samenleving, met vriendjes, schoolkameraadjes, klasse e.d. wordt niet betreden, dan met een gevoel van onbehagen. Het is alsof naar verschillende richtingen heen barricaden zijn opgeworpen. Loopen pogingen, dergelijke versperringen te doorbreken, op mislukking uit, brengen ze smaad en spot, dan zijn diepere ontmoediging, scherpere isoleering, pijnlijker minderwaardigheidsgevoelens het directe gevolg. Bij elke teleurstelling zinkt het gevoel van eigenwaarde.

4. Streven naar gelding. Werkelijke isoleering kan geen menschelijk individu en zeker geen opgroeiend kind op den duur verdragen. Contact moet er zijn. Een surrogaat vervangt nu de natuur. De drang tot gemeenschap kan geremd zijn, verdwijnen kan ze niet. Krachtens de dynamische finaliteit van het leven ontstaat uit het onbehaaglijke minusbesef noodzakelijk de drang, dit onbehagen te overwinnen. Het ongezonde streven naar gelding, de zucht toch iets te zijn, ja anderen te overtreffen is daarmede geboren. Aangezien door teleurstellingen de gewone wegen niet toegankelijk schijnen, worden kronkelpaden bewandeld. Kunstgrepen worden toegepast met de bedoeling, toch een „contact", nu eigenlijk een surrogaat-contact te bewerkstelligen.

Om misverstand te voorkomen, merken we met nadruk op, dat dit verloop, dit proces niet een zaak is van bewust overleg en van bewuste doelstelling van het kind. Het zijn reacties van een levend, dus groeiend individu op invloeden van het milieu en bij deze reacties loopen onbewust en bewust in gelijke richting. Niet op wat in het bewustzijn is komt het aan, maar op het doen, op de gedragingen. Zegt men, dat een doel wordt nagestreefd, dan meent de indps dit niet zoo, dat de baby, het kind, de knaap etc. dit doel bewust en opzettelijk stelt, maar dat het, gezien de gedragingen is, alsof het individu zulk een doel beoogt. Wie bij het verstaan van uitingen, bewegingen, gedragingen dit „alsof", deze ficties niet doorziet of niet aanvaarden kan, moet de heele leer van Adler wel onzinnig of overdreven vinden.

Voorts bedenke men, dat het begrip „minderwaardigheid" uitsluitend betrekking heeft op een subjectieve, gevoelsmatige taxatie. Van objectieve verhoudingen is in Adler's leer geen sprake. In maatschappelijk opzicht hooggewaardeerde personen kunnen zeer wel met minusgevoelens behept zijn. Hetgeen bij polemieken en anderszins nog al eens blijken kan.

Het geschetste proces voltrekt zich in de eerste kinderjaren. Het betreft louter een zinvol reageeren van een levend individu op alles wat omgeving

Sluiten