is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Goddelijk woord aan het begin der Bijzondere Openbaring: „Laat Ons menschen maken naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis" beslist absoluut over de plaats, die de mensch in den cosmos inneemt. Over de draagwijdte dezer Goddelijke openbaring kan de Schriftgeloovige denker bij het bouwen aan zijn menschbeschouwing geen oogenblik in twijfel zijn. Hoewel beelddrager Gods, de mensch blijft schepsel.

Op elk wysgeerig stelsel, waarin de scheppingsgedachte niet centraal is, staat de stempel van hoogmoed. Indien al niet aan alle zoeken naar een antwoord op de vraag: „Wat is de mensch" een einde wordt gemaakt door een troosteloos: „Wij weten niet en zullen ook niet weten".

Antwoordt men bij eigen licht, bewust of ongemerkt, bedekt of openlijk maakt dan de mensch zich zelf tot God. Tegenover het „geschapen naar Gods beeld" vindt men door alle eeuwen heen een trots zich wanen op Gods troon. „Als God zijn willen", ziedaar het ijdele streven.

„De mensch is de maat van alle dingen", sprak eens Protagoras. Immanuel Kant noemt het verstand wetgever der natuur; het vindt die wetten niet in de natuur, maar schrijft ze aan haar voor. Het Duitsche Idealisme volgt hem in dit spoor en meent gerust de werkelijkheid zelf met menschelijke begrippen te kunnen construeeren. Schelling poneert de dwaze en vermetele these: „Over de natuur philosopheeren beteekent: deze scheppen". Zelf schepper zijn, wetgever, autonoom, dit is de pretentie van den idealist. Misschien dan niet van hem als enkeling, dan toch van wat hij noemt: „das Bewusstsein überhaupt".

Verklaart de idealist den mensch naar het beeld van den mensch zooals hij zelf dat heeft bedacht, de naturalist verklaart den mensch naar het beeld van het dier, dat enkel leeft, zich voortplant en gebonden is aan instincten. Van het dier, dat te onzaliger ure door misgroei of ontwikkelingsstoornissen bewustheid erlangde en zoo tot „mensch" werd („de mensch is een infantiele aap met gestoorde inwendige secretie"). Of meer dichterlijk naar het beeld van de plant, die opgroeit, bloeit en sterft. Of naar het beeld van de machine, die stoffelijk van aard, naar vaste wetten functioneert.

De „natuurlijke mensch" wil zelf uitmaken, wie hij is. „De kracht komt van beneden, uit de stof", zegt de één; de ander meent: „van boven komt de kracht, uit den geest". Wie bij de Bijzondere Openbaring leeft, weet dat de mensch uit zichzelf geen zeker antwoord geven kan. Omdat hij schepsel is.

De kracht komt slechts van Boven.

De mensch, geschapen naar Gods beeld.

Gevallen in zonde.

Het verstand verduisterd.

Zoo leert de Heilige Schrift.

Staat aldus het uitgangspunt voor een Schriftuurlijke anthropologie van meetaan vast, dan mogen daarna, bij uitwerking en terminologie, de verschillen onderling al groot zijn, cardinaal zijn ze niet. Het botsen van meeningen, bij ondergeschikte en afgeleide kwesties, zal er slechts toe bijdragen, dat ook daarover een juister inzicht eenmaal zal doorbreken.