Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liturgische geschriften, vooral ons doop- en avondmaalformulier, gaan geheel van de verbondsbeschouwing uit. En men behoeft de uitnemende voorrede van onze Statenvertalers voor het Nieuwe Testament slechts na te lezen om te zien, hoe lang vóór dat Coccejus éen voet op onze erve had gezet, dit leerstuk reeds geheel doorgedacht en rijk ontwikkeld was. Coccejus is niet de geestelijke vader van de verbondsleer, maar juist de man die in deze verbondsleer het eerst een gansch verkeerd element heeft ingebracht, doordat hij de eenheid van Oud- en Nieuw-Testament verbrak, en zoo niet weinig er toe heeft bijgedragen om de verbondsleer bij de ernstiger geloovigen juist

in discrediet te brengen.

Met Coccejus begint dan ook niet de rijke ontwikkeling der verbondsleer, maar haar deformatie, haar ontaarding, die ten slotte tot een geheele ontbinding heeft geleid. Niet alsof Coccejus hier de eenige schuldige zou zijn. De schuld ligt minstens even sterk bij onze vaderen zelf, die, door wel niet in theorie, maar dan toch in de praktijk de volkskerk te aanvaarden, de rijke en heerlijke verbondsgedachte tot een leugen hebben gemaakt. Want natuurlijk, die verbondgedachte, zooals de Reformatoren die ontwikkeld hadden en gelijk ze zoo kostelijk-schoon in onze liturgische formulieren tot uitdrukking is gekomen, past niet en kan niet passen bij een volkskerk, waar de wereld in de Kerk wordt opgenomen om haar te „kerstenen", en de sleutelen der tucht niet meer worden gehandhaafd. Naar die mate, dat de Kerk in haar uitwendige gestalte zich verder verwijdert van wat de Kerk van Christus in waarheid moet zijn : de „vergadering der Christgeloovigen", wordt de verbondsbeschouwing der gemeente, de verbondsprediking en de verbondsbediening der sacramenten steeds meer een onwaarheid. Een Kerk, die in haar Avondmaalsformulieren u zeggen komt: „En omdat wij vastelijk zouden gelooven, dat wij tot dit genadeverbond behooren, nam de Heere Jezus in zijn laatsten Avondmaal het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het Zijnen discipelen en zeide: „Neemt, eet, dat is mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt", en dan toch tot dat Avondmaal noodigt degenen, bij wie zelfs alle spoor van godvruchtigen wandel gemist wordt, maakt zich schuldig aan leugen. En evenzoo een Kerk, die in het dankgebed na den

Sluiten