Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

De Goddelijke scheidslijn.

De regel, dien God de Heere voor het Genadeverbond gaf en waaraan wij ons te houden hebben, is dus deze, dat het Verbond omvat de geloovigen met hun zaad.

Toch moet, om ook dit vraagstuk hier ter sprake te brengen, wel worden ingezien, dat de toepassing van dezen regel niet onder alle tijden en bedeelingen dezelfde is geweest. Wie dit onderscheid der bedeelingen miskent en uit de Schrift, als ware ze een burgerlijk wetboek, te hooi en te gras een tekst aanhaalt om daarmee zijn gevoelen te bevestigen, doet te kort aan het historisch-organisch karakter der Openbaring en brengt de Schrift met zich zelf in tegenspraak. Natuurlijk denken we er niet aan om met de Coccejanen dit verschil in bedeeling tot een principieel verschil te maken en het Genadeverbond op te lossen in een reeks van successieve verbonden. Het Genadeverbond is één wat zijn wezen aangaat van het Paradijs tot nu toe; het kent maar één weg tot zaligheid beide voor de geloovigen van Oud en Nieuw verbond; en het schenkt even werkelijk de vergiffenis der zonden zoowel onder den dienst der schaduwen, als onder den dienst der vervulling. Maar hoe scherp we dit op den voorgrond schuiven om elk misverstand af te weren, aan de andere zijde mag toch nooit uit het oog verloren, dat de vorm, waarin het Genadeverbond optreedt, bij Israël en bij ons niet dezelfde is. De voorstanders der volkskerk, die er zich telkens op beroepen, dat het Genadeverbond bij Israël een volksverbond was en daarom ook nu nog het Genadeverbond nationaal willen maken, wisschen de grens uit, die door de Schrift zelf zoo duidelijk tusschen de Israëlitische

Sluiten