Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ondenkbaar is, maar de historie van Israël zelf leert ons ook, dat dit nationaal verbond op den duur niet te handhaven is. Het correctief, dat God in zijn wet gaf, om de heiligheid van dit verbond te bewaren, heeft in de practijk al zeer weinig gebaat. Al heeft God de Heere telkens geklaagd: Mijn volk heeft het verbond overtreden als Adam, de Overheid van Israël dacht er niet aan om die bondsbreuke te straffen. Zondert men enkele vrome koningen uit, dan was veeleer de regel, dat de Overheid zelf in openlijke afgoderij het volk voorging. Jerobeam voerde den kalverendienst in Israël in; Achab en Izebel gingen openlijk voor in den dienst van Baal en Astarte; Achaz en Manasse ontheiligden met hun afgoden tot zelfs den tempel Gods.

Zoo diep was Israël weggezonken in de dagen der profeten, dat van de millioenen en millioenen Israelieten slecht zeven duizend de knie voor Baal niet gebogen hadden. En wanneer dan toch al deze millioenen afgodendienaars hun kinderen lieten besnijden, kinderen, die ze straks den Moloch ten offer brachten, dan blijft van de realiteit van het Genadeverbond schier niets meer over. Het sacrament der besnijdenis was door Israel's zonde niet veel meer dan een uitwendige vorm, het genadeverbond niet veel meer dan een schijn geworden. Nooit heeft er dieper klove gegaapt tusschen vorm en inhoud, verschijning en wezen dan bij dit nationale verbond. Dat God, toen Israël zijn nationale zonde voltooid had door den Messias aan het kruis te nagelen, dit nationaal verbond verbroken heeft, behoeven we dus waarlijk niet te betreuren. Dat was geen verlies, maar winst; geen derving van genade, maar juist rijker ontplooiing van het Genadeverbond zelf.

«Het voorgaande gebod (d.i. de Israëlitische bedeeling) is vernietigd, zegt de Apostel, om deszelfs zwakheid en onprofijtelyksheids willet. Een ander en «beter verbond» is daarvoor thans in de plaats gekomen.

En het is zonde tegen God, wanneer men dat nieuwe en betere verbond op zij schuift, om zich toch vast te klemmen aan dat nationale, uitwendige, ceremonieele verbond, dat wel voor Israël, maar niet voor de Christelijke Kerk geldt.

Juist de historische ontwikkeling van het nationale verbond met Israël heeft getoond, hoe «zwak en onprofijtelijk» dat ver-

Sluiten