Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af niet uit de volgorde: doopen en onderwijzen, of uit het bevel om de volkeren te doopen in hun geheel, maar uit de belofte des verbonds aan Abraham geschied; een belofte die niet alleen Abraham en zijn zaad gold, maar ook het zaad van hen, die door het geloof in de Kerk zijn ingelijfd.*

De beste uitleggers uit onzen tijd verwerpen deze uitlegging dan ook eenparig. Strack en Zöckler in hun Kurzgejasster Kommentar 1897 p. 207, merken terecht op: „fixTritravTe? als Aoristus naast het praesens SiSórx0"rs? wijst aan, dat het doopen een handeling is, die slechts éénmaal geschieden kan, terwijl het leer en een voortdurende handeling is. De volgorde der beide deelwoorden gebiedt volstrekt niet den aanvang met den doop te maken. De doop wordt hier alleen als een door Christus verordende instelling voorgesteld*. Evenzoo schrijft Th. Zahnin zijn Kommentar zum Neuen Testament, Das Evang. des Matthaeus, 1903, p. 7x2: »het behoefde hier niet uitdrukkelijk gezegd te worden, dat de prediking van het Evangelie het wezenlijkste middel is om iemand tot een discipel van Christus te maken». Daaruit verklaart hij, dat Christus hier niet afzonderlijk over de prediking, die aan den doop vooraf gaat, sprak. Ook Dr. Paul Schanz, Commentar über das Ev. des h. Matthaus 1879, een roomsche exegeet, wiens oordeel hier te meer waarde heeft, omdat de Roomsche kerk een heel andere opvatting van den doop heeft, verklaart op p. 558 : »Over den modus quo, de wijze waarop de doop bediend moet worden, zegt Christus hier niets; alleen wordt de doop als conditio sine qua non hier voorgesteld. (MxSyreieiv beteekent hier evenals in Matth. 13 : 52 en Act. 14 : 21 tot discipel maken, wat een voorafgaand onderwijzen Mc. 16 : 15) veronderstelt*.

Vraagt men wat dan de bedoeling is van het doopbevel in Matth. 28, waar Christus beveelt al de volken tot zijn discipelen te maken, hen doopende en leerende te onderhouden alles wat Hij aan zijn Apostelen bevolen heeft, zoo ligt hierin drieërlei opgesloten

Vooreerst, en daarop valt alle nadruk, dat de Oud-Testamentische bedeeling, die het heil tot Israël alleen beperkte thans opgeheven wordt en de genade tot alle volkeren en alle menschen wordt uitgebreid. Dit kan het best gevoeld worden, wanneer men er op let, dat Christus vroeger tot zijn jongeren gezegd had: »Gij

Sluiten