is toegevoegd aan je favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijmachtig welbehagen, maar op het vooruitgeziene geloof of ongeloof, kon er bij de kinderen van een uitverkiezing of verwerping geen sprake zijn. Christus had van alle kinderen de erfschuld weggenomen en voor allen de genade verworven; alle kinderen zonder onderscheid bezaten daarom de belofte des eeuwigen levens. Eerst als ze op later leeftijd door beslist ongeloof de genade verwierpen, kwamen ze buiten het genadeverbond te staan en werden ze verworpen. Maar als ze jong sterven, dan worden alle kinderen zalig. En de leer der Gereformeerden, dat Gods uitverkiezing ook onder de kinderen doorgaat, diende niet het minst om de Gereformeerden bij het volk in allerlei hatelijke schotschriften te belasteren.

Aan dit geschil hebben we het te danken, dat de Dordtsche Synode zich uitvoerig met dit vraagstuk heeft bezig gehouden. Het is op de Synode een der «brandende quaesties» geweest en de buiten- en binnenlandsche godgeleerden hebben in hun judicia er zich met uitvoerigheid over uitgelaten. Eenparig hebben allen de Remonstrantsche voorstellingen verworpen, alsof erbij de kinderen van geen uitverkiezing sprake zou zijn. Beslist werd uitgesproken, dat er ook onder de kinderen een uitverkiezing plaats heeft naar Gods welbehagen en dat de belofte des eeuwigen levens niet geldt voor alle kinderen zonder onderscheid, maar alleen voor de «kinderen des verbonds», die naar het oordeel der liefde voor uitverkorenen waren te houden. De vraag moest daarom wel beantwoord worden, wie dan als «kinderen des verbonds» waren te beschouwen, en het antwoord, dat allen daarop gaven is, dat dit alleen de kinderen der geloovigen zijn. «Maar wat de kinderen der geloovigen aangaat,» zoo zeggen de Zwitsersche Theologen, «dewijl God uit kracht des Verbonds hun God is en Paulus hen heilig noemt, wanneer ze uit een geloovigen vader en moeder of ten minste uit één van beiden geboren zijn en de Heere des hemels hen verklaart erfgenamen van het rijk des hemels te zijn, zoo hopen wij van hen 't beste, wanneer zij in hun kindschheid sterven». Even zoo — om nog een getuigenis bij te brengen — oordeelen de Bremers: «Van de kinderen der geloovigen alleen oordeelen wij dat God ze liefheeft, waarom zij ook ten aanzien van het verbond heilig zijn; en om dit te bevestigen worden zij door den heiligen doop ingelijfd en doen zij Christus aan». Het Genadeverbond wordt dus beperkt tot