is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar aan de andere zijde mag' nooit vergeten worden, dat de Kerk geen toetssteen ontvangen heeft om in elk bepaald geval uit te maken, wie waarlijk gelooft en wie niet. Aan God den Heere komt alleen het oordeel toe over het hart. De Kerk kan alleen afgaan op wat iemand aangaande zichzelven belijdt, zij kan alleen oordeelen naar het uitwendige. En zoolang iemands wandel en leven niet met zijn belijdenis in strijd is, heeft de Kerk hem voor een waarachtig geloovige te houden.

De Kerk doet dat niet met een absoluut en onfeilbaar oordeel. Ze verklaart daardoor niet: gij zijt werkelijk een kind van God. Want dan zou de bedenking volkomen juist zijn, dat de Kerk daarmede in vele gevallen een onwaar oordeel zou uitspreken. Maar ze doet dit, gelijk onze vaderen het noemden, naar het oordeel der liefde.

Wat met dat «oordeel der liefde» bedoeld is, kan men het beste verstaan als men leesi wat de Apostel Paulus in I Cor. 13 over de Christelijke liefde zegt: cze is lankmoedig, ze denkt geen kwaad, ze hoopt alle dingen.» En waar die heilige liefde in Christus Kerk den toon aan moet geven, daar mag de Kerk ook niet beginnen met wantrouwen, met achterdocht, met suspicie van kwade trouw. Wie zich bij haar aandient als een geloovige, als een deelgenoot van het verbond der genade, dien moet ze voor een waarlijk geloovige houden, totdat het tegendeel voor aller oogen blijkt. Indien de Kerk zich daarbij vergist, indien ze aan een schijngeloovige den eeretitel van een kind Gods en de weldaden des Verbonds schenkt, dan is dit niet haar schuld, maar komt dit voor rekening desgenen, die de Kerk misleid heeft. Maar de Kerk mag niet, omdat onder het koren ook kaf, onder de goede ranken ook kwade worden gevonden, de heerlijke en rijke beteekenis van het Genadeverbond voor de geloovigen verzwakken. Het Genadeverbond moet door de Kerk in zijn geestelijke realiteit gehandhaafd worden voor allen, die tot het Genadeverbond gerekend worden. De Schrift zelf gaat ons hierin voor.

Christus zegt van de kleine kinderkens der Joden, die hunne moeders tot Hem brachten: «Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.* (Markus 10 : 14). Natuurlijk zegt Christus dit niet van alle kinderen; als de Kananeesche vrouw tot Hem komt om redding te vragen voor haar kranke dochter, luidt het antwoord: «Het