Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leert, kwalijk verschil van gevoelen bestaan, omdat weinig dingen ons zoo klaar en duidelijk in de Schrift geopenbaard worden als deze verbondsbeschouwing. Gelijk we reeds vroeger uitvoerig hebben aangetoond, spreken de Apostelen heel de gemeente aan als geroepenen naar de voorkennisse Gods, als geheiligden in Christus Jezus. Reeds dit feit beslist. Want als de Apostel in I Kor. 6: 11 tot de geheele gemeente zegt: gij 2ijt afgewasschen, gij zijt gerechtvaardigd, gij zijl geheiligd, dan geschiedt dit blijkbaar in verband met den doop, die de «afwassching der zonde» en het «bad der wedergeboorte» is en worden de gemeenteleden, wijl ze gedoopt zijn, als gerechtvaardigden en geheiligden beschouwd. Dit nu geldt niet alleen van de volwassen geloovigen, maar evenzeer van de gedoopte kinderen. Eèn van tweeën toch: öf de kinderen behooren tot de gemeente en ontvangen terecht den doop, maar dan geldt ook van hen wat de Apostel hier zegt. Of indien dit niet van de kinderen geldt, dan vormen de kinderen ook geen deel van de gemeente, en dan mogen ze ook niet gedoopt worden. Het lijdt dan ook geen twijfel of de sterke uitdrukking in ons Doopformulier, dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn, is niet zoo zeer ontleend aan I Kor. 7:14, waar alleen staat, dat onze kinderen «heilig» zijn, maar veeleer aan I Kor. 6:11, waar van de geheele gemeente, dus ook van de kinderen, getuigd wordt, dat ze »geheiligd zijn in den naam van den Heer Jezus en door den Geest onzes Gods.'"

Reeds dit eerste bewijs zou afdoende zijn, maar heel de Schrift legt hiervan getuigenis af. Als God de Heere het verbond sluit met Abraham en zegt: «Ik zal uw God en de God van uw zaad zijn», dan wordt daarmede een verbondsbetrekking gesteld tusschen God den Heere en het zaad van Abraham. God is hun God en zij zijn zijn kinderen. Daarom klaagt God de Heere als Israël in later dagen zijn kinderen aan den Moloch offert: «Gij hebt uw zonen en uwe dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen en hebt ze (den afgoden) geofferd om ze te verteren. Is het wat kleins van uwe hoererijen, dat gij mijne kinderen geslacht hebt en hebt ze overgegeven, als gij ze voor hen door het vuur hebt doen gaan!» (Ezech. 16:20 en 2i.) Zelfs de kinderen dezer afgodendienaars, omdat ze in het verbond waren geboren, noemt God dus Zijn kinderen,

Sluiten