Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat is het, waar heel Bilderdijks ziel tegen in opstand komt, dat schepselen, die niets dan schaduwen, mieren uit het stof, louter afhankelijkheid zijn, die gelijk zijn aan een wapprend wimpeldoek, aan eene dobberende boot, aan een hulkjen, van roer en want ontbloot, dat zulke schepselen zich vermeten te willen, over hun lot te beschikken, zichzelf ten wet te zijn en God het hoofd te bieden. Dat is geen vrijheid, geen recht, geen wijsheid, maar dat is alles opofferen aan een waan en met wanhoop op het gelaat, bij 't krijschende geweten, den doodsnacht in te gaan. Als deze klacht over 's menschen verwatenheid haar hoogtepunt bereikt, gaat zij over in de smeeking:

0 Gij, die 't menschdom schiept! kan 't Uw volmaaktheid lijden, Verpletter, doe te niet!

Maar duld niet, dat Uzelf in 's afgronds dienst bestrijden,

In wie Uw adem vliet!

Gij, die gevall'nen redt, en opheft, uit genade,

Verzoent, en heiligt, — God!

O sla het diep verval der gruweltijden gade!

Zie neer op 't menschlijk lot!

Keer, keer Verlosser, keer! verkort dees jammerdagen,

Eer alles buigt en stort!

Omhein des afgronds rand met onweerstaanbre slagen,

Eer 't al verzwolgen wordt!

Verdelg des Satans stoel, herstel Uw Rijk op aarde Het Rijk van Recht en Vreê;

En werp den schandzuil om dier valsche menschenvaarde, Des afgronds krijgstrofeê. 1)

En tcch, laat de wereld slechts een schijn, een weerglans zonder waarheid wezen, zij getuigt toch van Gods aanzijn, straalt van Zijne klaarheid af 2), en is alzoo eene voortdurende openbaring van Zijne deugden en volmaaktheden. Jonckbloet 3) en Kollewijn 4) klagen er over, dat Bilderdijk de natuur niet te waardeeren en te genieten wist. In deze algemeenheid is de klacht ongetwijfeld overdreven en onjuist. Want Bilderdijk kende en minde de natuur. Laatstgenoemde erkent zelf, dat Bilderdijk, in weerwil van al zijne klachten over dit aardsche jammerdal, treffende natuurbeschrijvingen heeft gegeven, die van ongewone opmerkingsgave getuigen 5). Ongemeen rijk is de stof, welke Bilderdijk in

1) Dichtw. V 283. 2) Dichtw. V 166. 3) Jonckbloet, GesCh. der Ned. Lett. VI 76. 4) Kollewijn II 387. B) Kollewijn t. a. p. 451.

Sluiten