is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

adsistentiae meer in den geest was van ieder, wiens verstand en hart aan geen hooger indrukken gewoon en gehecht is 1). Maar opmerkelijk is toch, dat Bilderdijk nimmer van monaden spreekt; dat hij de leer van de harmonia praestabilita nooit opzettelijk voordraagt, maar alleen eene enkele maal bezigt, 0111 de meening van hen, die heel de wereld, zonder God, uitsluitend uit de werking der causaliteitswet, verklaren, te weerleggen ; en dat hij altijd en overal op de immanentie Gods in al het geschapene den sterksten indruk legt. Het deïsme, dat principieel in Leibniz' stelsel opgesloten ligt, was niet naar Bilderdijks hart, maar stond voor hem met practisch atheisme gelijk.

Leibniz heeft echter volgens Bilderdijk in dit opzicht den weg ter waarheid geopend, dat hij het geestelijk beginsel des lichaams getoond heeft 2). Het lichamelijke heeft naar ziine overtuiging altijd een geestelijk beginsel en is daaruit voortgevloeid, evenals het ook de ziel is, die zich het lichaam vormt, uit de stof, die zij vindt 3). Ofschoon naar de uitdrukking van Ten Kate Westerling bij uitnemendheid 4), werd hij toch niet voldaan, naar zijn eigen woord, door de Westersche om plooiing van het geestelijke met het lichaamlijke, maar achtte hij het plicht, om op Oostersche wijze de stoffelijkheid tot het geestelijke te verheffen en beide te vereenzelvigen 5). Het lichaamlijke stond voor Bilderdijk nooit op zichzelf, maar rustte in het geestelijke. Het was er altijd een beeld, eene gelijkenis, eene uitdrukking, een spiegel, een omgevende nevel van. De lichaamlijke huishouding is een beeld deigeestelijke. Geen lichaamlijk kwaad, of het heeft zijn oorsprong in 't geestelijke ; geen genezen dan door 't geestelijke, gelijk Stahl daar besef van had. Ons woord gezond is, gelijk Bilderdijks vader placht te zeggen, gezoend. Ware er geene zonde, daar ware geene ongeregeldheid in lichaam of ziel. En dat geestelijke overal te leeren kennen, dat is de bestemming van den mensch ; dan alleen wanneer het lichaamlijke het geestelijke voor ons opheldert, en wij het geestelijke er in herkennen, gevoelen wij het verhevene van onze bestemming 6).

1) Verhandelingen bl. 128. 2) Verhandelingen bl. 177. 3) Dichtw. XV 166. Brieven IV 140, V 48. 4) Ten Kate, Biiderdijk en da Costa bl. 12. B) Dichtw. XV 167. 6) Brieven IV 147,174. V 43. Verhandelingen bl. 9,11.