Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruim dertig jaren na Kant het levenslicht en overleefde hem een vijf en twintig jaren, hij heeft den aanvang der negentiende eeuw leeren kennen met haar idealen en aspiraties, met haar illusies en teleurstellingen. Kant was de rust, de kalmte, de geregeldheid in eigen persoon, Bilderdijk was heel zijn leven dolende op den aardbodem en zocht overal rust, maar vond ze niet. Kant kende geen hartstocht of was er boven verheven, Bilderdijk werd door zijn passie meegesleept en beheerscht. Kant was denker en denker alleen, Bilderdijk was denker, en tevens dichter. Als beide mannen aan het opbouwen gaan, dan slaan zij elk een eigen richting in, Kant zoekt zijne sterkte in de autonomie, Bilderdijk in de theonomie. Gene predikt vrijheid, zelfstandigheid, eigen kracht en eigen deugd, deze roept tot afhankelijkheid, gehoorzaamheid aan Gods gezag en wetten terug. Aan Kant den rug toekeerende, komt Bilderdijk dichter te staan bij Hamann en Jung Stilling, bij Jacobi en Schleiermacher. Met eene sterke antipathie tegen Schiller bezield, die de positieve philosophie van Kant propageert, voelt hij zich inniger aan Goetlie verwant, die in „das Ganze", in de alheid leeft en de „Wahlverwandtschaft" aller dingen gevoelt. Als Kant aan het bouwen gaat, dan kiest hij de practische rede, den kategorischen imperatief tot fundament; maar Bilderdijk legt de grondslagen zijner positieve philosophie in het r/evoel, in het hart van den mensch.

Onder het gevoel verstaat Bilderdijk nu niet eene of andere oppervlakkige aandoening van lust of onlust, maar het innigst zijn van den mensch, zijn zelfgevoel, dat om zoo te zeggen met zijn zelfzijn samenvalt. „Het gevoel, het innig gevoel, is gevoel van onszei ven, maar 't verstand is alleen eene werking op of wijze van aanwending van de inbeelding, die op de zintuiglijke indrukken gevestigd is" 1). In dit gevoel is de mensch van zijn zijn, van zijne zelfheid, van zijne geestelijkheid overtuigd 2), maar tegelijk en in éénen ook van zijne afhankelijkheid. Volslagen afhankelijkheid maakt onzen staat uit en moet dien uitmaken, wijl wij den grond van het bestaan niet in onszelven hebben! Dit niet blijmoedig en dankbaar te erkennen, is de allerroekelooste weerspannigheid jegens God en een telkenmale hernieuwde en

1) Verhandelingen bi. 164. 2) Verhandelingen bi. 163.

Sluiten