Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kent hij kunst- noch regeldwang.

Neen, de vloeistof waar we in drijven,

Is te hoog voor aardsche vlucht,

En, den echten toon te stijven

Eischt een zuivrer Hemellucht.

Waar wij held- of zegepalmen

Zomerlust of lentebloem,

Waar wij vreugd of liefde galmen,

Zingen we Eén- alleen ten roem !

U, o Bron van Zvjn en Leven,

Aan wiens oogwenk alles hangt!

U alleen zij de eer gegeven,

Welk een stof ons lied omvangt!

Wat wij in het schepsel eeren Is een dankcijns, U gewijd:

U behoort hij, Heer der Heeren,

U die door Uzelven zijt. 1)

De poëzie is voor Bilderdijk, als alle kunst, de openbaring en tegelijk de profetie van eene hoogere, heilige wereld. Zij zelve brengt ons in het beloofde land niet, maar zij wijst er toch heen. Zij doet het in de verte ons zien, als Mozes van den Nebo het land Kanaan aanschouwde. Als die toekomst er is, zal ook de poëzie hare volmaaktheid bereiken ; het ware, volle zingen vangt eerst aan, als wij, van alle zonde bevrijd, bekwaam zijn, om met de Engelen in 's hemels melody een zuivren toon te mengelen 2) ;

Dan, dan breng ik daar mijn klanken,

Zuivrer dan ik immer zong,

Om mijn God en Heer te danken Met een onbesmette tong. 3)

1) Dichtw. V 863. 2) Dichtw. V 360. 3) Dichtw. XII 151. VII2Ö5.

Sluiten