is toegevoegd aan uw favorieten.

Paedagogische beginselen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treedt, in het gebied, waarover het heerscht, in de grens, waartoe het zich uitstrekt. Er zijn republieken en er zijn monarchieën; er zijn absolute en er zijn constitutioneele regeeringen; in een huisgezin zijn kleine en soms nog volwassen kinderen; dienstknechten kunnen slaven, lijfeigenen of ook vrije arbeiders zijn; soldaten kunnen huurlingen of dienstplichtige zonen van het vaderland zijn. Dit alles brengt wijziging, omschrijving, beperking. ÏMaar de principiëele vraag blijft altijd deze: hebben wij in al de genoemde levenskringen en in de daarin bestaande verhoudingen met menschelijke willekeur of met Goddelijk bestel te doen?)

Deze vraag nu is niet exact-wetenschappelijk, door empirisch onderzoek, met getal en maat en gewicht tot beslissing te brengen. Maar het antwoord valt uit, naarmate men staat op het standpunt des geloofs of des ongeloofs; waarbij men bedenke, dat ongeloof ook geloof is, maar naar de Schrift geloof van een dwaas, die zegt in zijn hart: er is geen God. Er valt hier dus ook niet verder over te redeneeren; terstond bij het uitgangspunt scheiden zich de wegen. Wie aan God gelooft, nog niet eens aan den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, maar gansch in het algemeen aan God gelooft, en_met dat gelooi ernst in het leven maakt, die eert in al die levenskringen en levensverhoudingen Zijn voorzienig bestel, rust daarin, bouwt er op voort, en dankt God, dat hij dit gelooven mag. Want nu staat hij met beide zijne voeten op een hecht fundament en arbeidt moedig voort. Het gebouw, dat hij mede helpt optrekken in staat, kerk, gezin, school, beroep, bedrijf enz., heeft telkens reparatie van noode en is lang niet voltooid. Maar de grondslag, waarop het rust, ligt vast en geeft de grondlijnen aan voor den bouw.

; Zoo nu is er ook in opvoeding, onderwijs, en heel het schoolwezen een Goddeljjk bestel. Dat er ouders en kinderen, dat er onderwijzers en leerlingen zijn, dat opvoeding noodzakelijk en mogelijk is; dat alles berust niet op ons verstand en op onzen wil, maar op de souvereine en vrijmachtige beschikking Gods. Tusschen ouders en onderwijzers, tusschen kinderen en leerlingen, tusschen gezin en school, en_dus ook tusschen het gezag, dat in den eenen en in den anderen levenskring heerscht, is daarbij weer groot verschil i). Maar de verhoudingen, die in het schoolleven bestaan, < vloeien uit den aard van dat schoolleven zelf voort en bewijzen

l) Vergelijk boven bi. 14.