is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote denkers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

naturalistische en een theosofische periode, gescheiden door het identiteits-systeem (de materie in haar tegenstelling van zwaarte en licht, zie boven, vormt den grondslag tot alle natuur-ontwikkeling). Het keerpunt tusschen deze beide perioden zou dan te vinden zijn in de „Darstellung meines Systems der Philosophie" (1801). Hoe belangrijk dergelijke onderscheidingen ook voor de studie van schelling's stelsel mogen wezen, in ons kort overzicht kunnen wij op diergelijke meer subtiele onderscheidingen niet ingaan. Wij moeten ons tot zeer algemeene hoofd-trekken bepalen. En daarom is het in aansluiting met onze voorafgaande uiteenzetting, — ten overgang tot de transcendentale philosofie — voldoende, indien wij memoreeren, hoe Schelling's natuur-philosofie omvat een „Dynamik" (beschouwing der materie en van het dynamisch proces als magnetisch, electrisch en chemisch) en een „Organik" (de beschouwing der levensverschijnselen).

Onderzoeken we nu de wijze, waarop schelling het dynamisch proces in de natuur beschouwt, dan kunnen we hier reeds den ommegang vinden tot de transcendentale of geestes-philosofie.

Voor de dynamische natuurverklaring kiest SCHELLING, wijl hij alle natuurverschijnselen (ook de materie) tot werking van tegenovergestelde krachten (zie boven) herleidt.

Zijn deze krachten in evenwicht, dan ontstaat doode stof; wordt het evenwicht gestoord en trachten de lichamen dit evenwicht weder te herstellen, dan ontstaat het chemisch proces ; wordt het evenwicht niet hersteld maar telkens weder gestoord en blijft de strijd der tegengestelde krachten dus voortduren, dan ontstaat het leven.

Het feit nu, dat de menschelijke geest de gansche natuur (van de grof stoffelijke verschijnselen af tot aan het leven en het bewustzijn toe) onder het gezichtspunt der genoemde polaire krachten moet beschouwen, dit feit brengt Schelling, naar fichte s trant, in verband met het grond-karakter van den geest.