Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 6

dag, wijl de geest naar den kringloop der ware oneindigheid uit het andere (de natuur) tot zichzelf komt in het bewustzijn des menschen. „Denn die Freiheit ist eben dies, in seinem Andern bei sich selbst zu sein. Freiheit ist nur da, wo kein Anderes für mich ist, das ich nicht selbst bin" (KI. Logik, 41).

De geest is in de natuur omgeslagen in zijn „Anderssein" maar komt nu tot bewustzijn en „erfasst sich" om aldus te wezen „an und für sich".

In het ik des menschen als eenheid van objectiviteit (natuur) en subjectiviteit (bewusten geest) wordt dus de wereldscheppende Absolute Geest naar zijn ware vrijheid openbaar.

Den kringloop van het denken speurt Hegel ook nu wederom in de geestes-philosofie na, waar de geest zich manifesteert als subjectief, objectief en absoluut.

De geest, „de waarheid der natuur", moet, evenals deze, verschillende trappen doorloopen, die we zijn „bevrijdingsdaden" zouden kunnen noemen. Want de geest heeft zich in de natuur „entaussert", opdat hij in het bewustzijn des menschen waarlijk zichzelf bezitten zou.

Wij kunnen hier slechts een zeer algemeenen blik op de drie openbarings-wijzen des geestes geven.

De subjectieve geest, zich los worstelend uit de natuur, is allereerst ziel. De anthropologie in engeren zin richt zich op dit leven des geestes, gelijk hij planetarisch of tellurisch afhankelijk blijkt van klimaat, tijds-wisseling, geografische verhoudingen, ras, natie, lichaamsbouw, temperament, karakter, overerving, sexe, leeftijd, slaap, waken, enz.

Deze midden-toestand van den natuur-geest is de g ewaarwording (Empfindung), die voortgaat tot gevoel en zelfgevoel, het voorportaal tot het bewustzijn.

Ook hier volgt Hegel de wording des bewustzijns naar zijne methode op den voet, totdat de geest als „bewusstes Fürsichsein" in het ik voorwerp der phanomenologie des bewustzijns wordt.

Met de natuur saamgevlochten blijft de geest slechts

Sluiten