Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winning eerst morrend den veldheer volgde, die steeds op nieuwe victorie uit wilde gaan, om eindelijk gehoorzaamheid te weigeren, zoo is de anti-revolutionaire partij, toen ze zooveel zetels in Kamer, Staten en Gemeenteraden had behaald, wat haar intellectuels betreft, meer gaan voelen voor den invloed, die in het gestoelte der eere voor de beginselen te oefenen was, dan voor telkens scherper strijd. Vandaar het geestelijk conflict met Dr. Kuyper, die in 1901 met zijn optreden als minister gedacht heeft, zooals in België, eene aëra te openen van jaren en jaren van Christelijke politiek, en wien de kentering in 1905 iets onverklaarbaars was. Het enkele feit, dat de Coalitie het in 1908 beter vond zonder, dan met Dr. Kuyper te regeeren, en dat de anti-revolutionaire partij zich daarbij heeft neergelegd, bewijst dat toen reeds de onmisbaarheid van dien veldheer niet meer werd gevoeld, al staat het dan ook vast, dat dit niet naar den zin was van de kleine luiden in de partij. Toen bij de verkiezingen van 1909 de Rechterzijde 60 zetels in de Tweede Kamer kreeg, schreef de Stichtsche Courant: „Nu staat niets meer de terugkomst van Dr. Kuyper als minister in den weg", en het blad sprak daarmede naar den zin van de overgroote meerderheid der partij. Politieke redenen maakten, dat aan dien wensch niet voldaan werd, maar tevens was het sinds dien tijd in de anti-revolutionaire partij de dood in den pot.

Aan deze geopende groeve ontkomen wij natuurlijk niet aan de gedachte welk een gewichtig tijdperk van onze politieke geschiedenis met den dood van Dr. Kuyper wordt afgesloten. De geweldige wereldrevolutie zal dan ook maken, dat voor de Nederlandsche politiek waarheid wordt, dat het oude is voorbijgegaan en alles nieuw is geworden. Maar wie naar dat afgesloten tijdperk omziet, kan, als hij rechtvaardig is, niet anders getuigen, dan dat Dr. Kuyper een van de merkwaardigste mannen is, die dat tijdperk heeft opgeleverd, een man singulier in alles, zooals het van Van Oldenbarneveldt werd gezegd. En laten zij, die hem het best hebben gekend en dus het meest liefgehad, den strijd herdenkende dien hij gestreden heeft, zich Lucus VI, 26 herinneren: „Wee u wanneer alle de menschen wèl van u spreken".

Requiescat in pace. Een groot man is van ons heengegaan.

„Het Volk" 9 Nov. 1920.

De man die gisteren in hoogen ouderdom overleden is, zal ook bij tegenstanders in eere blijven als een der groote volksleiders, die leven wekte waar dood was. Zijn historische roem zal het blijven, dat hij het geweest is, die de kleine burgerij, van de in dommelende onbewustheid voor zich daar heen levenden die zij waren, gemaakt heeft tot een krachtig, ja onstuimig levende volksgroep, tot werkelijke burgers van den staat, tot een klasse. Wie in elk geval de bewustheid boven de

Sluiten