is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16 en hij gebood hun streng, dat zii hem niet bekend zouden maken,

17 opdat in vervulling zoude gaan hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet:

18 Zie, dit is mijn knecht, dien ik verkoren heb, mijn geliefde, in wien mijne ziel een welgevallen heeft. Ik zal mijn Geest op hem leggen, en hij zal het gericht den heidenen aankondigen.

19 Niet twisten zal hij, noch roepen, en op de wegen zal niemand zijne stem hooren;

20 het geknakte riet zal hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal hij niet uitblusschen, voordat hij het gericht tot zegepraal heeft gebracht.

21 En op zijn naam zullen de volkeren hopen.

Jezus' werk beschouwd als werk van den satan.

22 Toen bracht men tot hem een bezetene, die blind was en stom. En hij genas hem, zoodat de stomme sprak en zag.

23 En al de scharen waren vol geestdrift, en zij zeiden: Hij is immers niet de zone Davids?

24 Doch toen de Farizeën dit hoorden, zeiden zij: Hij bant de booze geesten slechts uit door Beëlzebul, den vorst der booze geesten.

25 Maar hij verstond hun overleggingen, en zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat innerlijk verdeeld is, verwoest zichzelf, en geen stad of huis, dat innerlijk verdeeld is, zal stand houden;

26 en indien de satan den satan uitbant, is hij tegen zichzelf verdeeld: hoe zal zijn rijk dan stand houden ?

27 En indien ik door Beëlzebul de booze geesten uitban, door wien doen uwe medestanders het dan? Daarom zullen zij uwe rechters zijn.

28 Maar indien ik door den geest Gods de booze geesten uitban, zoo is dus Gods koningschap over u gekomen.

29 Of hoe kan iemand het huis van den sterke binnengaan en zijn huisraad rooven, indien hij niet eerst den sterke gebonden heeft? en dan zal hij zijn huis berooven.

30 Wie niet met mij is, die is tegen mij, en wie met mij niet vergadert, die verstrooit.

31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den menschen vergeven worden, maar de lastering van den Geest zal niet worden vergeven.

32 Wie tegen den zoon des menschen een woord spreekt, het zal hem vergeven worden; maar wie

16 Maar Hij verbood hun, Hem bekend te maken,

17 opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias voorzegd was:

is. 42 :1—4.

18 „Zie mijn Dienaar, dien Ik heb uitverkoren, Mijn Welbeminde, in wien mijn ziel behagen schept. Ik zal mijn Geest op Hem doen rusten, En Hij zal aan de volkeren het recht verkonden.

19 Hij zal twisten noch roepen, En niemand zal zijn stem op de straten horen.

20 Hij zal het geknakte riet niet breken, De kwijnende vlaspit niet doven, Totdat Hij het recht ter zegepraal voert.

21 Op zijn naam zullen de volkeren hopen!"

Jesus' zelfverdediging. 22 Toen werd tot Hem een bezetene gebracht, die blind en stom was; Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag.

23 Heel de menigte was verbaasd, en zeide: Zou Hij niet de Zoon van David zijn?

24 Toen de farizeën dit hoorden, zeiden ze: Hij drijft slechts de duivels uit door Beëlzebub, den vorst der duivels.

25 Maar Jesus, die hun gedachten kende, sprak tot hen: Ieder rijk, dat inwendig verdeeld is, zal verwoest worden; en iedere stad of woning, die inwendig verdeeld is, zal geen stand houden.

26 Zo dus satan den satan uitdrijft, dan strijdt hij tegen zichzelf; hoe zal zijn rijk dan stand kunnen houden?

27 En indien Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf, door wien drijven dan uw zonen ze uit? Daarom zullen zijzelf uw rechters zijn.

28 Maar zo Ik door Gods Geest de duivels uitdrijf, dan is ook het koninkrijk Gods onder u gekomen.

29 Of hoe zal iemand het huis van een sterk man binnendringen en zijn huisraad roven, zo hij

met eerst den sterKe Dinat.' Eerst dan zal hij zijn huis kunnen plunderen.

30 Wie niet mst Mij is, is tegen Mij; en wie niet met Mij verzamelt, verstrooit."

Mark. 3 : 22—27. Luk. 11 : 14—23.

De zonde tegen den Heiligen Geest.

31 Daarom zeg Ik u: Iedere zonde en godslastering zal aan de mensen worden vergeven; maar het lasteren van den Geest zal niet worden vergeven.

32 En wie iets zegt tegen den Mensenzoon, hem zal het worden vergeven; maar wie iets zegt

16 en Hij verbood hun ten strengste Hem bekend te maken,

17 opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door den profeet Jesaja, toen hij zeide:

18 Zie, mijn knecht, dien Ik verkoren heb, mijn geliefde, in wieu mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal mijn Geest op Hem leggen en Hij zal den heidenen het oordeel verkondigen.

19 Hij zal niet twisten of schreeuwen, en niemand zal op de pleinen zijn stem horen.

20 Het geknakte riet zal Hij niet breken en de walmende vlaspit zal Hij niet doven, voordat Hij het oordeel tot overwinning heeft gebracht.

21 En op zijn naam zullen de heidenen hopen.

Mare. 3 : 7—12. Jes. 42 : 1—4.

Jezus en Beëlzebul.

22 Toen bracht men een bezetene tot Hem, die blind en stom was. En Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag.

23 En al de scharen waren buiten zichzelf en zeiden: Dit is toch niet de Zoon van David?

24 Maar de Farizeeën hoorden het en zeiden: Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, den overste der geesten.

Matt. 9 : 34.

25 Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen: Ieder Koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden.

26 En indien de satan den satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden?

27 En indien Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wien doen uw zonen, het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn.

28 Maar indien Ik door den Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen.

29 Of hoe kan iemand het huis van een sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst dien sterke heeft gebonden? Dan zal hij zijn huis plunderen.

30 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit.

31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden, maar de lastering van den Geest zal niet vergeven worden.

32 Spreekt iemand een woord tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar