Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde, wonen, zij aldaar; en het laatste van denzelven mensch wordt erger dan het eerste. Alzoo zal het ook met dit geslacht zijn.

Hebr. 6 : 4, 5. 10 : 26. 2 Petr. 2 : 20.

De verwanten van Jezus.

46 En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijne moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.

Mark. 3 : 31. Luk. 8 : 20.

47 En iemand zeide tot Hem: Zie, Uwe moeder en Uwe broeders staan daar buiten, zoekende U te spreken.

48 Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene, die Hem dat zeide: Wie is Mijne moeder, en wie zijn Mijne broeders?

49 En Zijne hand uitstrekkende over Zijne discipelen, zeide Hij: Mijne moeder en Mijne broeders.

50 Want zoo wie den wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder.

Joh. 15 : 14. 2 Kor. 5 : 16. Gal. 5 : 6. 6 : 15. Kol. 3 : 11.

45 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, die erger zijn dan hij zelf is; en als zij daar inkomen, wonen zij aldaar; en het wordt met dien mensch naderhand erger dan het te voren was. Alzoo zal het ook met dit booze geslacht gaan.

Luc. 11 : 29—32. Matth. 16 : 4.

Jona 1 : 17. 3:5. 1 Kon. 10 : 1.

2 Kron. 9 : 1. Luc. 11 : 24—26.

Jezus' verwanten.

46 Terwijl hij nog zoo sprak tot het volk, zie, toen stonden zijne moeder en zijne broeders daarbuiten, en begeerden hem te spreken.

47 Toen zeide iemand tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daarbuiten en willen met u spreken.

48 Maar hij antwoordde en zeide tot dengeen, die hem dat gezegd had: Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders?

49 En hij strekte zijne hand uit over zijne jongeren, en zeide: Zie, mijne moeder en mijne broeders.

50 Want wie den wil mijns Vaders in den hemel doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder.

Mare. 3 : 31—35. Luc. 8 : 19—'21.

45 Nu gaat hij zeven andere geesten halen, nog boozer dan hijzelf; zij komen binnen en nemen daar hun intrek. Zoo wordt het eind van dien mensch erger dan het begin. Aldus zal het ook met dit booze geslacht gaan.

Geestverwantschap boven bloedverwantschap.

46 Terwijl hij nog tot de scharen sprak, zie, zijn moeder en broeders stonden buiten, trachtend hem te spreken.

47 En iemand zeide tot hem: Daar buiten staan uw moeder en broeders; zij willen u spreken.

48 Maar hij gaf aan den man die hem dit zeide ten antwoord: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders ?

49 En zijn hand over zijn leerlingen uitstrekkend, zeide hij: Ziehier mijn moeder en mijn broeders:

50 want alwie den wil van mijn Vader die in de hemelen is doet, die is mijn broeder, zuster, moeder.

Gelijkenis van het zaad.

1 En te dien dage Jezus, uit het 13 huis gegaan zijnde, zat bij de zee.

Mark. 4 : 1. Luk. 8:4, 5.

2 En tot Hem vergaderden vele scharen, zoodat Hij in een schip ging en nederzat, en al de schare stond op den oever.

Luk. 5 : 3.

3 En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.

4 En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op.

5 En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geene diepte van aarde had.

6 Maar als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden; en omdat het geenen wortel had is het verdord.

De gelijkenis van het zaad.

1 Op dien dag ging Jezus uit het huis, en zette zich neder aan de zee.

2 En veel volk vergaderde zich tot hem, zoodat hij in een schip ging en zich nederzette; en al het volk stond aan den oever.

3 En hij sprak tot hen menigerlei door gelijkenissen, en zeide: Zie, een zaadzaaier ging uit om te zaaien.

4 En terwijl hij zaaide, viel een gedeelte bij den weg; toen kwamen de vogels en aten het op.

5 Een ander deel viel in steenachtigen grond, waar het niet veel aarde had; en het ging spoedig op, omdat het geen diepe aarde had;

6 maar toen de zon opging, verwelkte het, en omdat het geen wortel had, verdorde het.

7 Nog een ander deel viel onder de doornen; en de doornen wiesen op en verstikten het.

8 Maar een gedeelte viel in een goed land, en droeg vrucht, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig.

9 Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!

Mare. 4 : 1—20. Luc. 8 : 4—15.

Waarom Jezus door gelijkenissen sprak.

10 En de jongeren traden tot hem en zeiden: Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen?

11 En hij antwoordde en zeide tot hen: U is het gegeven de verbor-

De zaaier.

1 Op dien dag verliet Jezus zijn huis en zette zich aan de zee neer.

2 Nu verzamelden zich zoovele scharen om hem dat hij op een schip zitten ging, terwijl de schare op den oever stond.

3 Hij sprak veel tot hen in gelijkenissen, aldus:

Een zaaier ging uit om te zaaien, zaaien.

4 Toen hij zaaide, viel een deel langs den weg, en de vogels kwamen en aten het op.

5 Een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had, en schoot terstond op, omdat het slechts een dunne laag aarde vond;

6 maar toen de zon was opgegaan, verschroeide het en verdorde, omdat het geen wortel had.

7 Een ander deel viel op de doornen, en de doornen schoten op en verstikten het.

8 Een ander deel viel in de goede aarde en leverde vrucht, honderd-, zestig- of dertigvoud.

9 Wie ooren heeft hoore!

10 Hierop kwamen de leerlingen tot hem en zeiden: Waarom spreekt gij tot hen in gelijkenissen?

11 Hij gaf hun ten antwoord: Omdat het u gegeven is de heils-

7 En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve.

8 En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud.

9 Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.

Waarom Jezus door gelijkenissen sprak.

10 En de discipelen, tot Hem komende, zeiden tot hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen ?

Mark. 4 : 10. Luk. 8 : 9.

11 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is,

Sluiten