is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit, opdat zij zouden zwijgen. Doch zij riepen te luider: Heer, erbarm u onzer, gij zone Davids!

32 En Jezus bleef staan, riep hen en zeide: Wat wenscht gij, dat ik u doen zal?

33 Zij zeiden tot hem: Heer, laat onze oogen geopend mogen worden.

34 Door ontferming bewogen, raakte Jezus hunne oogen aan; en terstond werden zij ziende en volgden hem.

Jezus' intocht in Jeruzalem als vredevorst.

1 En toen zij Jeruzalem naderden en bij Betfagé aan den Olijfberg gekomen waren, zond Jezus twee discipelen uit met de opdracht:

2 Gaat naar het dorp daar vóór u, en terstond zult gij er een ezelin vastgebonden vinden, met een veulen daarbij; maakt die los en brengt ze mij.

3 En indien iemand u iets zeggen mocht, zoo antwoordt dan: de Heer heeft ze van noode; dan zal hij ze terstond medegeven.

4 Dit is geschied, opdat in vervulling zoude gaan hetgeen gesproken is door den profeet:

5 Zegt der dochter van Sion: zie, uw koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin, en op een veulen, het jong van een lastdier.

6 Toen gingen de discipelen heen en deden gelijk Jezus hun bevolen had.

7 En zij brachten de ezelin en het veulen; en zij legden hunne kleederen erop, en hij ging daarop zitten.

8 Het meerendeel nu van de schare spreidde hunne kleederen op den weg uit, en anderen hieuwen takken van de boomen en spreidden die over den weg.

9 En de scharen die vóór hem uit liepen en die achter hem aan kwamen, riepen luide: Hosanna den zone Davids! Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren! Hosanna in den hooge!

10 En toen hij Jeruzalem binnentrok, geraakte de gansche stad in opschudding, en men zeide: Wie is dat?

11 En de scharen zeiden: Dat is Jezus, de profeet, uit Nazaret in Galilea.

Jezus' optreden in den tempel als de Christus.

12 En Jezus trad den tempel binnen en dreef allen uit, die in den tempel kochten en verkochten; ook de tafels der wisselaren wierp hij omver, en de zitbanken der duivenkooplieden;

13 en hij zeide tot hen: Er staat geschreven: mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; — maar gij maakt het tot een roovershol.

hen tot zwijgen te brengen. Maar ze riepen nog harder: Heer, Zoon van David, ontferm U onzer.

32 Jssus bleef staan, riep hen, en sprak: Wat wilt gij, dat Ik voor u doe?

33 Ze zeiden: Heer, dat onze ogen worden geopend.

34 En Jesus, door medelijden bewogen, raakte hun ogen aan. Aanstonds zagen ze, en volgden Hem.

Mark. 10 : 46—52. Luk. 18 : 35—43.

De blijde intocht.

1 Toen zij Jerusalem naderden, en te Bétfage bij de Olijfberg waren gekomen, zond Jesus twee leerlingen vooruit,

2 en zei tot hen: Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt; terstond zult gij er een ezelin vinden, die is vastgebonden, met een veulen erbij; maakt ze los en brengt ze Mij.

3 Zo iemand u een bemerking maakt, zegt hem dan: De Heer heeft ze nodig. En dadelijk zal hij ze laten gaan.

4 Dit alles geschiedde, opdat vervuld zou worden, wat door den profeet was voorspeld:

Is. 62 : 11 en Zak. 9 : 9.

5 „Zegt tot de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt naar u toe, Zachtmoedig, op een ezel gezeten, Op een veulen, het jong van een lastdier."

6 De leerlingen gingen heen. en deden wat Jesus hun bevolen had.

7 Ze brachten de ezelin met het veulen mee, legden er hun mantels op, en Hij zette Zich daarop neer.

8 Nu spreidde het talrijke volk zijn mantels uit over de weg; anderen sneden takken van de bomen, en strooiden ze op de weg.

9 En de scharen, die voorop gingen en volgden, riepen uit: Hosanna den Zoon van David; Gezegend die komt in de naam des Heren; Hosanna in den hoge!

10 En toen Hij Jerusalem was binnengereden, kwam de hele stad in beroering, en men zeide: Wie is dat?

11 De scharen antwoordden: Dat is Jesus, de profeet van Nazaret in Galilea.

Mark. 11 : 1—11. Luk. 19 : 28—40.

Joh. 12 : 12—19.

Jesus' optreden in de tempel.

12 Jesus trad de tempel binnen, dreef er allen uit, die in de tempel verkochten en kochten, en smeet de tafels van de wisselaars •en de stoelen der duivenverkopers omver.

13 Hij sprak tot hen: Er staat geschreven: „Mijn huis zal heten een huis van gebed; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt."

Is. 56 : 7 en Jer. 7 : 11.

dat zij zwijgen zouden. Maar zij riepen te meer, zeggende: Here, heb medelijden met ons, Zoon van David!

32 En Jezus stond stil, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?

33 Zij zeiden tot Hem: Here, dat onze ogen geopend worden.

34 Jezus ontfermde Zich over hen en raakte hun ogen aan, en terstond werden zij ziende en zij volgden Hem.

Mare. 10 : 46—52. Luc. 18 : 35—43.

De intocht in Jeruzalem.

1 En toen zij Jeruzalem naderden 91 en te Bethphagé kwamen, aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen uit, tot wie Hij zeide:

2 Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt, en terstond zult gij een ezelin vinden, vastgebonden, en een veulen bij haar. Maakt haar los en brengt haar tot Mij.

3 En indien iemand u iets er over mocht zeggen, zegt dan: de Here heeft ze nodig. Hij zal ze terstond (terug) zenden.

4 Dit is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door den profeet, toen hij zeide:

5 Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezelin, en op een veulen, het jong van een lastdier.

Zach. 9 : 9.

6 Nadat de discipelen heengegaan waren en gedaan hadden, zoals Jezus hun had opgedragen,

7 brachten zij de ezelin en het veulen en zij legden hun kleederen er op, en Hij ging daarop zitten.

8 En het merendeel der schare spreidde hun klederen op den weg, anderen sloegen takken van de bomen en spreidden die op den weg.

9 En de scharen, die vóór Hem uit gingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zoon van David, gezegend Hij, die komt in den naam des Heren:

Hosanna in de hoogste hemelen!

Ps. 118 : 25, 26.

10 En toen Hij Jeruzalem binnenging, kwam de gehele stad in rep en roer en zeide: Wie is dit?

11 En de scharen zeiden: Dit is de profeet, Jezus, van Nazareth, in Galiléa.

Mare. 11 : 1—10. Luc. 19 : 29—38.

Joh. 12 : 12—16.

Jesus in den tempel.

12 En Jezus ging den tempel binnen en dreef allen uit, die verkochten en kochten in den tempel, en de tafels der wisselaars keerde Hij om en de stoelen van hen, die de duiven verkochten,

13 en Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een bedehuis heten, maar gij maakt het tot een rovershol.

Jes. 56 : 7. Jer. 7 : 11.