Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Heródias, de huisvrouw van zijnen, broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.

Matt. 14 : 3. Luk. 3 : 19. 9 : 9.

18 Want Johannes zeide tot Heródes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.

Lev. 18 : 6. 20 : 21.

19 En Heródias legde op hem toe, en wilde hem dooden, en konde niet;

20 Want Heródes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.

Matt. 14 : 5. 21 : 26.

21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Heródes, op den dag zijner geboorte, eenen maaltijd aanrichtte, voor zijne groot-en, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galiléa;

Gen. 40 : 20. Matt. 14 : 6.

22 En als de dochter van dezelve Heródias inkwam, en danste, en Heródes en dengenen, die mede aanzaten, behaagde, zoo zeide de Koning tot het dochtertje: Eisch van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.

23 En hij zwoer haar: Zoo wat gij van mii zult eischen. zal ik u

geven, ook tot de helft mijns koninkrijks!

Richt. 11 : 30.

24 En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot hare moeder: Wat zal ik eischen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Dooper.

25 En zij, terstond met haast ingaande tot den Koning, heeft het geëischt, zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in eenen schotel, geeft het hoofd van Johannes den Dooper.

26 En de Koning, zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eeden, en degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar hetzelve niet afslaan.

27 En de Koning zond terstond eenen scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;

Matt. 14 : 10.

28 En bracht zijn hoofd in eenen schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve hare moeder.

29 En als zijne discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en leiden, dat in een graf.

gezonden en Johannes gevangen genomen en in de gevangenis gezet, vanwege Heródias, de vrouw van zijnen broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.

18 Want Johannes zeide tot Herodes: Het is niet recht, dat gij uws broeders vrouw hebt.

19 En Heródias leide hem lagen en wilde hem dooden, en kon niet;

20 want Herodes vreesde Johannes, wetende dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij bewaakte hem, en volgde hem in vele zaken, en hoorde hem gaarne.

21 En er kwam een gelegen dag, toen Herodes op zijn geboortefeest een gastmaal gaf aan de oversten en hoofdlieden en aan de voornaamsten in Galiléa.

22 Toen trad de dochter van Heródias binnen, en danste, en behaagde aan Herodes en degenen, die mede aan tafel zaten. Toen zeide de koning tot het meisje: Vraag van mij wat gij wilt, en ik

zal net u geven.

95 TTin Viii iwder haar een eed:

Wat gij van mij vragen zult, dat zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk toe.

24 En zij ging uit en zeide tot hare moeder: Wat zal ik vragen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Dooper.

25 En zij ging terstond met haast binnen tot den koning, en vroeg en zeide: Ik wil, dat gij mij nu terstond op een schotel geeft het hoofd van Johannes den Dooper.

26 En de koning werd bedroefd; doch om den eed en om degenen, die mede aan tafel zaten, wilde hij het haar niet weigeren.

27 En terstond zond de koning een scherprechter heen, en beval zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,

28 en bracht zijn hoofd op een schotel, en gaf het aan het meisje en het meisje gaf het aan hare moeder.

29 En toen zijne jongeren dat hoorden, kwamen zij en namen zijn lichaam, en leiden het in een graf.

Matth. 14 : 1—12. Luc. 9 : 7—9.

Luc. 3 : 19, 20.

de gevangenis geworpen ter zake van Heródias, de vrouw van zijn broeder Filippus; haar toch had hij gehuwd.

18 Want Johannes zeide tot Herodes: Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broeder te hebben.

19 Heródias nu had het op hem gemunt en wilde hem dooden, maar het gelukte haar niet;

20 want Herodes was bevreesd voor Johannes, omdat hij wist dat hij een rechtschapen en heilig man was; zoo zorgde hij voor zijn veiligheid, en als hij hem hoorde, raakte hij in groote verlegenheid en luisterde toch gaarne naar hem.

21 Maar er kwam een goede gelegenheid: toen Herodes op zijn verjaardag een maaltijd had aangericht voor zijn grooten, de krijgsoversten en de aanzienlijken van Galiléa,

22 trad de dochter van die Heródias binnen en behaagde door haar dans aan Herodes en de gasten. Toen zeide de koning tot het meisje: Vraag mij wat gij be¬

geert, en wai iicl uuk üij, jiv /.ai het u geven.

23 En hij zwoer haar: Wat gij ook vraagt, ik zal het u geven, tot de helft van mijn koninkrijk toe.

24 Zij ging naar buiten en zeide tot haar moeder: Wat zal ik vragen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Dooper.

25 Zij spoedde zich terstond naar binnen en eischte van den koning: Ik wil dat gij mij aanstonds op een schotel het hoofd van Johannes den Dooper geeft.

26 De koning werd zeer bedroefd, maar om zijn eed en de gasten wilde hij het haar niet weigeren.

27 Zoo zond dan de koning dadelijk een van zijn lijfwacht met het bevel het hoofd van Johannes te brengen. Die ging heen, onthoofdde hem in de gevangenis,

28 bracht zijn hoofd op een schotel binnen en gaf het aan het meisje; en het meisje gaf het aan haar moeder.

29 Toen zijn leerlingen het hoorden, gingen zij zijn lijk halen en legden het in een graf.

De wonderbare spijziging.

30 En de apostelen kwamen weder samen tot Jezus, en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden.

Luk. 9 : 10.

31 En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in eene woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen

Terugkeer der twaalf. Spijziging

der vijfduizend.

30 En de apostelen kwamen [weder] te zamen tot Jezus, en verkondigden hem alles, beide wat zij gedaan en wat zij geleerd hadden.

31 En hij zeide tot hen: Laat ons in eene woestijn gaan, alleen, en rust een weinig. Want er waren er velen, die af en aan gingen,

Wonderbare spijziging. 30 De apostelen nu keerden gezamenlijk tot Jezus terug en verhaalden hem alwat zij gedaan en gepredikt hadden.

31 En hij zeide tot hen: Gaat gij allen met mij mee naar een eenzame plaats en rust een weinig uit. Want zij die kwamen en gin-

Sluiten