Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 En Hij vraagde hun: Hoeveel brooden hebt gij ? En zij zeiden: Zeven.

6 En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij leiden ze der schare voor.

7 En ze hadden weinige vischjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen.

8 En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden..

9 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.

Waarschuwing tegen het zuurdeesem der Farizeën en van Her odes.

10 En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijne discipelen, is Hij gekomen in de deelen van Dalmanütha.

Matt. 15 : 39.

11 En dei Farizeën gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begeerende van Hem een teeken van den hemel, Hem verzoekende.

Matt. 12 : 38. 16 : 1. Luk. 11 : 29.

Joh. 6 : 30.

12 En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijnen geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teeken? Voorwaar, Ik zeg u: Zoo aan dit geslacht een teeken gegeven zal worden!

Matt. 16 : 4.

13 En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde.

14 En Zijne discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan één brood met zich in het schip.

15 En Hij gebood hun, zeggende: Zie.t toe, wacht u van den zuurdeesem der Farizeën, en van den zuurdeesem van Heródes.

Matt. 16 : 6. Luk. 12 : 1. 16! En zij overleiden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geene brooden hebben.

17 En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geene brooden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet? hebt gij nog uw verharde hart?

Mark. 6 : 52.

18 Oogen hebbende, ziet gij niet? En ooren hebbende, hoort gij niet ?

19 En gedenkt gij niet, toen Ik de vijf brooden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt ? Zij zeggen Hem: Twaalf.

Matt. 14 117, 20. Mark. 6 : 38. Luk. 9 : 13. Joh. 6 : 9.

20 En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.

Matt. 15 : 36, 37.

5 En hij vraagde hun: Hoeveel brooden hebt gij? Zij zeiden: Zeven.

6 En hij beval het volk neder te zitten op de aarde. En hij nam de zeven brooden, en dankte, en brak ze, en gaf ze aan zijne jongeren, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze aan het volk voor.

7 En zij hadden weinige vischjes; en hij dankte, en beval ze ook voor te leggen.

8 En zij aten en werden verzadigd, en namen de overige brokken op, zeven korven.

9 En die gegeten hadden waren omtrent vier duizend; en hij liet hen van zich.

10 En terstond trad hij in een schip met zijne jongeren, en kwam in de landstreek van Dalmanütha.

Matth. 10 : 32—39.

Een teeken geweigerd. Waarschuwing tegen het zuurdeeg der Farizeën.

11 En de Farizeën gingen uit en begonnen met hem te redetwisten; en om hem te verzoeken, begeerden zij van hem een teeken van den hemel.

12 En hij zuchtte in zijnen geest, en zeide: Wat zoekt toch dit geslacht een teeken? Voorwaar, ik zeg u: Aan dit geslacht zal geen teeken gegeven worden.

13 En hij verliet hen, en trad wederom in het schip, en voer over.

14 En zij hadden vergeten brood met zich te nemen, en hadden niet meer dan één brood met zich in het schip.

15 En hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, en wacht u voor het zuurdeeg der Farizeën en voor het zuurdeeg van Herodes!

Luc. 12 : l.

16 En zij overlegden onder elkander en zeiden: Het is, omdat wij geen brood hebben.

17 En Jezus vernam dit, en zeide tot hen: Wat bekommert gij u toch, dat gij geen brood hebt ? Begrijpt gij nog niet, en zijt gij nog niet verstandig? Hebt gij nog een verhard hart in u?

18 Hebt gij oogen en ziet niet, en hebt gij ooren en hoort niet?

19 En gedenkt gij er niet aan, toen ik vijf brooden brak onder vijf duizend, hoeveel korven vol brokken naamt gij toen op?

Mare. 6 : 38—44.

20 Zij zeiden: Twaalf. En toen ik de zeven brak onder vier duizend, hoeveel korven vol brokken naamt gij toen op? Zij zeiden: Zeven.

Mare. 8 : 5—8.

5 Hij vroeg hun: Hoeveel brooden hebt gij? Zij zeiden: Zeven.

8 Toen beval hij de schare zich op den grond neer te vlijen, nam de zeven brooden, brak ze, na er de dankzegging over uitgesproken te hebben, en gaf ze aan zijn leerlingen om ze uit te reiken. En zij reikten ze aan de schare uit.

7 Zij hadden ook eenige vischjes, en na er den zegen over uitgesproken te hebben, liet hij ook die uitreiken.

8 Zoo aten zij en werden verzadigd, en de overgeschoten brokken namen zij op, zeven manden.

9 Het waren ongeveer vierduizend, en hij liet hen heengaan.

10 Aanstonds daarop scheepte hij zich met zijn leerlingen in en begaf zich naar de streek van Dalmanoetha.

Weigering van wonderteekenen.

11 De Farizeën kwamen en begonnen twist met hem te zoeken: zij eischten van hem een teeken uit den hemel. Hiermee wilden zij hem op de proef stellen.

12 Zwaar zuchtend, zei hij: Wat vraagt dit geslacht een teeken! Voorwaar, ik zeg u, aan dit geslacht zal geen teeken worden gegeven.

13 Hiermee verliet hij hen en scheepte zich weer in om naar de overzijde te varen.

Waarschuwing tegen de Farizeën en Herodes.

14 Zij nu vergaten brood mee te nemen en hadden in het schip niet meer dan éen brood bij zich.

15 Toen hij dan hun de waarschuwing gaf: Ziet goed toe, wacht u voor den zuurdeesem der Farizeën en den zuurdeesem van Herodes —

16 spraken zij er met elkander over dat zij geen brooden hadden.

17 Hij begreep dat en zeide tot hen: Wat overlegt gij dat gij geen brooden hebt? Hebt gij nog geen inzicht of begrip? Zijt gij dan stompzinnig ?

18 Terwijl gij oogen hebt ziet gij niet, en terwijl gij ooren hebt hoort gij niet?

19 Herinnert gij u dan niet, hoeveel korven vol brokken gij opnaamt toen ik de vijf brooden voor de vijfduizend gebroken had? Zij zeiden tot hem: Twaalf.

20 En hoeveel manden vol stukken gij opnaamt bij de zeven voor de vierduizend? Zij zeiden: Zeven.

Sluiten