is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 En hij vroeg hun: Hoevele brooden hebt gij? Zij antwoordden: Zeven.

6 En hij gebood de menigte op den grond te gaan zitten. En hij nam de zeven brooden, dankte, brak ze, en gaf ze aan zijne discipelen, opdat zij ze hun zouden voorzetten; en zij zetten ze aan de menigte voor.

7 Zij hadden ook eenige vischjes; en na daarover den zegen te hebben uitgesproken, zeide hij, dat zij ook die den menschen moesten voorzetten.

8 En zij aten en werden verzadigd. (En zij namen het overschot der brokken op, zeven manden vol.)

9 En het waren er ongeveer vierduizend. En hij zond hen heen.

10 En terstond ging hij met zijn discipelen aan boord en kwam in het gebied van Dalmanuta.

Waarschuwing tegen de blinde leidslieden des volks.

11 En de Farizeën liepen uit en begonnen met hem een twistgesprek, doordat zij van hem een teeken uit den hemel verlangden, om hem daarmede in de val te lokken.

12 En uit het diepst van zijn hart een zucht slakende, zeide hij: Waarom verlangt dit geslacht een teeken? Voorwaar, ik zeg u: aan dit geslacht zal geen teeken gegeven worden.

14 En zij hadden vergeten brood mede te nemen, zoodat zij slechts één brood bij zich hadden in het schip.

15 En hij waarschuwde hen, door te zeggen: Ziet toe en neemt u in acht voor den zuurdeesem der Farizeën en den zuurdeesem van Herodes.

16 En zij overlegden met elkander: Dat is, omdat wij geen brood hebben.

17 En hij bemerkte dit en zeide tot hen: Waarom overlegt gij, dat gij geen brood hebt? hebt gij nog geen begrip of inzicht? hebt gij een verhard hart?

18 hoewel gij oogen hebt, ziet gij niet, en hoewel gij ooren hebt, hoort gij niet?

19 herinnert gij u dan niet, toen ik de vijf brooden brak voor de vijfduizend, hoevele korven vol brokken gij hebt opgenomen?

5 Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt gij ? Ze zeiden: Zeven.

6 Toen beval Hij de schare, zich neer te zetten op de grond. Hij nam de zeven broden, sprak een dankzegging uit, brak ze, en gaf ze aan zijn leerlingen, om ze hun aan te bieden. En ze reikten ze uit aan het volk.

7 Ook hadden ze enkele visjes; Hij sprak er de zegen over uit, en beval ook deze aan te bieden.

8 Ze aten, en werden verzadigd; en ze zamelden de overgeschoten brokken bijeen: zeven korven vol.

9 Er waren daar ongeveer vier duizend mannen. Toen liet Hij ze gaan.

10 Onmiddellijk daarna ging Hij met zijn leerlingen in de boot, en begaf Hij zich naar de streek van Dalmanoeta.

Matt. 15 : 29—39.

De tekenen des tijds.

11 Nu kwamen de farizeën, en begonnen met Hem te twisten; ze eisten van Hem een teken uit de hemel, om Hem op de proef te stellen.

12 Hij zeide met een diepe zucht: Wat, eist die geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: aan dit geslacht zal geen teken worden gegeven.

Het zuurdeeg der farizeën.

14 Maar ze hadden vergeten, brood mee te nemen, zodat ze niet meer dan één brood bij zich aan boord hadden.

15 Toen vermaande Hij hen, en zeide: Let op, en wacht u voor het zuurdeeg der farizeën en voor het zuurdeeg van Herodes!

16 Ze redeneerden onder elkander, dat het was, omdat ze geen brood bij zich hadden.

17 Jesus merkte het, en sprak tot hen: Wat bespreekt gij toch met elkander; dat gij geen brood hebt ? Hebt gij nu nog geen verstand of begrip ? Is uw hart soms verstokt ?

18 Gij hebt ogen, en toch ziet gij niet; oren. en toch hoort gijniet? Weet gij dan niet meer,

19 hoeveel korven vol brokken gij hebt verzameld, toen Ik de vijf broden brak voor vijf duizend man? Ze zeiden Hem: Twaalf.

5 En Hij vroeg hun: Hoeveel broden heb gij? Zij zeiden: Zeven.

6 En Hij gaf aan de schare bevel op den grond te gaan aanliggen. En Hij nam de zeven broden, dankte, brak ze en gaf ze aan zijn discipelen om ze hun voor te zetten, en zij zetten ze voor aan de schare.

7 En zij hadden enkele visjes; en nadat Hij daarbij den zegen had uitgesproken, zeide Hij, dat zij ook dia moesten voorzetten.

8 En zij aten en werden verzadigd en zij namen het overschot der brokken op, zeven korven.

9 En het waren er ongeveer vierduizend en Hij liet hen gaan.

10 En terstond ging Hij met zijn discipelen in het schip en kwam in het gebied van Dalmanoetha.

Matth. 15 : 32—39.

De vraag om een teken. De zuurdesem der Farizeeën.

11 En de Farizeeën liepen uit en begonnen met Hem te redetwisten; en zij begeerden van Hem een teken uit den hemel, om Hem te verzoeken.

12 En Hij, diep zuchtend in zijn geest, zeide: Waartoe begeert dit geslacht een teken ? Voorwaar, Ik zeg u: Aan dit geslacht zal voorzeker geen teken gegeven worden!

13 En Hij liet hen alleen en Hij ging weder scheep en vertrok naar den overkant.

14 En zij hadden vergeten broden mede te nemen, en behalve één brood hadden zij niets bij zich in het schip.

15 En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u voor den zuurdesem der Farizeeën en den zuurdesem van Herodes.

16 En zij spraken er over onder elkander, dat zij geen broden hadden.

17 En toen Hij dat bemerkte, zeide Hij tot hen: Waarom spreekt gij er over, dat gij geen broden hebt? Verstaat gij nog niet en begrijpt gij niet? Hebt gij een verhard hart?

18 Hebt gij ogen en ziet gij niet; hebt gij oren en hoort gij niet?

Jer. 5 : 21. Ezech. 12 : 2.

19 En herinnert gij u niet, toen Ik de vijf broden brak voor de vijfduizend, hoeveel manden vol brokken gij hebt opgenomen? En zij zeiden tot Hem: Twaalf.

20 En bij de zeven voor de vierduizend, hoeveel korven vol brokken gij hebt opgenomen? En zij zeiden: Zeven.

20 Zij zeiden tot hem: Twaalf. En toen ik de zeven brak voor de vierduizend, hoevele manden vol brokken hebt gij opgenomen? En zij zeiden: Zeven.

20 En bij de zeven broden voor de vier duizend man, hoeveel manden met brokken hebt gij toen wel verzameld? Ze zeiden Hem: Zeven.

13 Zoo liet hij hen staan, ging wederom aan boord en vertrok naar de overzijde.

13 Hij verliet ze, ging weer de boot in, en voer naar de overzijde terug.

Matt. 16 : 1—i.