Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jezus zegent de kinderen.

13 En zij brachten de kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.

Matt. 19 : 13. Luk. 18 ; 15.

14 Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.

Matt. 18 : 3. 19 : 14. 1 Kor. 14 : 20.

1 Petr. 2 : 2.

15 Voorwaar zeg Ik u: Zoo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.

16 En Hij omving ze met Zijne armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.

Matt. 19 : 15. Mark. 9 : 36.

De rijke jongeling.

17 En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve ?

Matt. 19 : 16. Luk. 18 : 18.

18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Eén, namelijk God.

19 Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geene valsche getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uwen vader en uwe moeder.

Ex. 20 : 13. 21 : 12. Deut. 5 : 17.

Rom. 13 : 9.

20 Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af.

21 En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij.

Matt. 6 : 19. Luk. 12 : 33. 16 : 9.

1 Tim. 6 : 17.

22 Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.

23 En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijne discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen!

Spr. 11 : 28. Matt. 19 : 23. Luk. 18 : 24.

24 En de discipelen werden verbaasd over deze Zijne woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!

25 Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.

26 En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?

27 Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de menschen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.

Job 42 : 2. Jer. 32 : 17. Zach. 8 : 6.

Luk. 1 : 37.

Jezus zegent de kinderen. 13 En zij brachten kinderen tot hem, opdat hij ze zou aanraken; maar de jongeren bestraften degenen, die hen brachten.

15 Voorwaar, ik zeg u: Wie het rijk Gods niet ontvangt als een kind, zal er niet inkomen.

16 En hij omhelsde hen, legde de handen op hen en zegende hen.

Matth. 19 : 13—15. Luc. 18 : 15—17.

De rijke jongeling.

17 En toen hij uitgegaan was op den weg, liep er een tot hem, knielde voor hem, en vraagde hem: Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve ?

18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan de eenige God.

19 Gij weet immers de geboden wel: „Gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis spreken; gij zult niemand bedriegen; eer uwen vader en uwe moeder".

21 En Jezus zag hem aan, had hem lief, en zeide tot hem: Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, zoo zult gij een schat in den hemel hebben; en kom, volg mij, en neem het kruis op u.

22 Maar hij werd bedroefd over dat woord, en ging treurig weg; want hij had vele goederen.

25 Het is lichter, dat een kameel door een naaldenoog ga, dan dat een rijke in het rijk Gods komt.

26 Maar zij ontzetten zich nog veel meer, en zeiden onder elkander: Wie kan dan zalig worden?

27 Doch Jezus zag hen aan, en zeide: Bij de menschen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alles is mogelijk bij God.

Laat de kinderen tot mij komen. 13 Eens bracht men kinderen tot hem met het verzoek hen aan te raken, en de leerlingen weerden hen af.

15 Voorwaar, ik zeg u, wie het Koninkrijk Gods niet als een kind aanneemt zal er niet ingaan.

16 En na ze omarmd te hebben, legde hij hun de handen op en zegende hen.

17 Toen hij op weg ging, liep iemand op hem toe, viel op de knieën en vroeg hem: Goede meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

18 Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan God alleen.

19 Gij kent de geboden: Gij zult niet doodslaan, geen overspel doen, niet stelen, geen valsch getuigenis afleggen, niemand tekortdoen, eer uw vader en uw moeder.

21 En Jezus zag hem aan, kreeg hem lief en zeide tot hem: In éen opzicht schiet gij tekort. Ga alwat gij hebt verkoopen en geef het aan de armen; dan zult gij een schat in den hemel bezitten; en kom dan, volg mij.

22 Toen ging hij, verslagen door dit woord, bedroefd heen; want hij had veel bezittingen.

25 Het is lichter dat een kameel door het oog van een naald gaat dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnenkomt.

26 Nu waren zij nog meer ontsteld en zeiden tot elkander: Maar wie kan dan behouden worden ?

27 En Jezus zag hen aan en zeide: Bij menschen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alles is mogelijk bij God.

14 Maar toen Jezus dat zag, werd hij misnoegd, en zeide tot hen: Laat de kinderen tot mij komen, en weert hen niet; want derzulken is het rijk Gods.

14 Maar toen Jezus dit zag, nam hij hun dit kwalijk en zeide tot hen: Laat de kinderen vrij tot mij komen, verhindert ze niet; want aan dezulken behoort het Koninkrijk Gods.

20 Doch hij antwoordde en zeide tot hem: Meester, dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.

20 Hij zeide tot hem: Meester, dat alles heb ik van mijn jeugd af onderhouden.

23 En Jezus zag in het rond, en zeide tot zijne jongeren: Hoe bezwaarlijk zullen de rijken in het rijk Gods komen!

24 En de jongeren ontzetten zich over zijne woorden. Maar Jezus antwoordde wederom en zeide tot hen: Kinderen, hoe bezwaarlijk is het, dat degenen, die hun vertrouwen op rijkdom stellen, in het rijk Gods komen!

23 Nu zag Jezus rond en zeide tot zijn leerlingen: Hoe zwaar zal het hun vallen die vermogen hebben in het Koninkrijk Gods te komen.

24 En toen de leerlingen verbaasd waren over zijn woorden, hervatte Jezus: Kinderen, hoe zwaar valt het in het Koninkrijk Gods te komen!

Sluiten