is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 En als het de tijd was, zond hij eenen dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.

3 Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.

4 En hij zond wederom eenen anderen dienstknecht tot hen, en dien steenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.

5 En wederom zond hij eenen anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.

6 Als hij dan nog eenen zoon had, die hem lief was, zoo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijnen zoon ontzien.

7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden, en de erfenis zal onze zijn.

Ps. 2 : 8. Gen. 37 : 18. Matt. 26 : 3.

Joh. 11 : 53.

8 En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.

9 Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.

10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;

Ps. 118 : 22. Jes. 28 : 16. Matt. 21 : 42. Luk. 20 : 17. Hand. 4 : 11. Rom. 9 : 33.

1 Petr. 2 : 6.

11 Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen ?

12 En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.

De cijnspenning.

13 En zij zonden tot Hem eenigen der Farizeën en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijne rede vangen zouden.

Matt. 2'2 : 15. Luk. 20 : 20.

14 Deze nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, ën naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der menschen niet aan. maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den Keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven ?

15 En Hij, wetende hunne geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij ? Brengt Mij eenen penning, dat Ik hem zie.

16 En zij brachten eenen. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des Keizers.

17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den Keizer, dat des Keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.

Matt. 17 : 25. 22 : 21. Rom. 13 : 7.

De Sadduceën en de opstanding.

18 En de Sadduceën kwamen tot

2 En toen de tijd kwam, zond hij een knecht tot de wijngaardeniers, opdat hij van de wijngaardeniers zou ontvangen van de vruchten des wijngaards;

3 maar zij namen hem en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.

4 Wederom zond hij een anderen knecht tot hen; dien wierpen zij met steenen, en kwetsten hem het hoofd, en zonden hem versmaad heen.

5 Wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen en sommigen doodden.

6 Toen had hij nog een eenigen zoon, die hem lief was; dien zond hij ten laatste ook tot hen, en zeide: Zij zullen toch mijnen zoon ontzien.

7 Maar die wijngaardeniers zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam: komt, laat ons hem dooden, zoo zal het erfgoed het onze zijn.

8 En zij namen hem en doodden hem, en wierpen hem uit buiten den wijngaard.

9 Wat zal nu de heer des wijngaards doen? Hij zal komen en de wijngaardeniers ombrengen, en den wijngaard aan anderen geven.

10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: „De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden;

Ps. 118 : 22, 23.

11 van den Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen"? —

12 En zij zochten hem te vangen, en vreesden echter voor het volk; want zij verstonden, dat hij die gelijkenis op hen gezegd had. En zij verlieten hem en gingen weg.

Matth. 21 : 33—46. Luc. 20 : 9—19.

Jes. 5 : 1, 2.

De belastingpenning.

13 En zij zonden tot hem sommigen van de Farizeën en van de Herodianen om hem in zijne woorden te vangen.

14 En zij kwamen en zeiden tot hem: Meester, wij weten, dat gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want gij acht het aanzien der menschen niet. maar gij leert den weg Gods recht. Is het recht, dat men den keizer cijns geve of niet? Zullen wij dien geven of niet geven ?

15 Maar hij merkte hunne geveinsdheid, en zeide tot hen: Wat verzoekt gij mij ? Brengt mij een penning, opdat ik hem zie.

16 En zij brachten hem er een. Toen zeide hij tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? Zij zeiden tot hem: Des keizers.

17 Toen antwoordde Jezus en zeide tot hen: Zoo geeft den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is. En zij verwonderden zich over hem.

Matth. 2*2 : 16-^22. Luc. 20 : 20—26.

De vraag over de opstanding.

18 Toen traden de Sadduceën tot

2 Op den rechten tijd zond hij tot de pachters een slaaf om van hen een deel van de vruchten van den wijngaard in ontvangst te nemen.

3 Maar zij sloegen hem en zonden hem met leege handen weg.

4 Toen zond hij een anderen slaaf tot hen; ook dezen sloegen zij op zijn hoofd en scholden hem uit.

5 Weer een anderen zond hij; dien doodden zij. Nog vele andere, en zij sloegen dezen en doodden genen.

6 Nu had hij nog éenen, een geliefden zoon. Dezen zond hij het laatst tot hen, denkend: Zij zullen mijn zoon ontzien.

7 Maar de pachters zeiden bij zichzelf: Dat is de erfgenaam; komt, laten wij hem dooden; dan zal de erfenis ons eigendom zijn.

8 Zoo grepen zij hem, doodden hem en wierpen hem uit den wijngaard.

9 Wat zal dan de eigenaar van den wijngaard doen? Hij zal komen, de pachters ombrengen en den wijngaard aan anderen geven.

10 Hebt gij dit schriftwoord niet gelezen: De steen dien de bouwlieden hebben afgekeurd, die is hoeksteen geworden;

11 vanwege den Heer is dit geschied, en het is een wonder in ons oog ?

12 Toen zochten zij hem in hun macht te krijgen; maar zij vreesden de schare: zij begrepen wel dat hij die gelijkenis op hen gezegd had. Zij lieten hem dan staan en gingen heen.

Over 's keizers recht.

13 Eens zonden zij tot hem eenige Farizeën en Herodianen om hem door een woord te vangen.

14 Toen dezen bij hem kwamen, zeiden zij: Meester, wij weten dat gij een oprecht mensch zijt en u aan niemand stoort; want gij ziet niemand naar de oogen en leert den weg Gods naar waarheid. Is het geoorloofd den keizer belasting te geven of niet? Zullen wij geven of niet geven?

15 Maar hij, die hun geveinsdheid kende, zeide tot hen: Wat stelt gij mij op de proef? Geeft mij een zilverling om hem eens te bezien.

16 Zij brachten hem er een. Hij zeide tot hen: Wie is dat? Hoe luidt het opschrift? Zij zeiden tot hem: Dat is de keizer.

17 Toen zeide Jezus tot hen: Geeft den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is. En zij stonden verbaasd over hem.

Over opstanding uit de dooden. 18 Ook Sadduceën, die zeggen dat