Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze grote gebouwen? niet één steen zal op den anderen gelaten worden die niet zal worden afgebroken.

4 Zeg ons, wanneer zal dat zijn? en wat is het teeken, dat dit alles in vervulling begint te gaan?

5 En Jezus ving aan en zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u misleide.

6 Velen zullen komen onder mijnen naam, en zeggen: ik ben het, — en zij zullen velen misleiden.

7 Maar wanneer gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, zoo laat u niet in verwarring brengen: het is noodzakelijk dat die komen, maar het einde is het nog niet.

8 Want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen aardbevingen zijn op onderscheidene plaatsen, er zullen hongersnooden zijn. Dat is het begin der weeën.

9 Maar ziet toe op uzelf. Zij zullen u overleveren aan gerechtshoven, en in synagogen zult gij worden geslagen, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden, om mijnentwil, hun tot een getuigenis.

10 (En aan alle volkeren moet eerst het evangelie worden gepredikt.

11 En wanneer zij u overleveren en wegvoeren, weest dan te voren niet bezorgd, wat gij spreken zult: maar wat u in die ure gegeven wordt, spreekt dat; want niet gij zijt het die spreekt, maar de heilige Geest.

12 En de eene broeder zal den anderen overleveren ter doodstraf, en de vader zijn kind, en de kinderen zullen opstaan tegen hunne ouders, en hen doen dooden.

13 En gij zult aller haat dragen om mijns naams wil. Doch wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

14 Wanneer gij dan den gruwel der verwoesting ziet staan waar hij niet behoort (wie het leest, lette er op), dan moeten zij die in Judea zijn, vlieden naar het gebergte;

al die grote gebouwen ? Er zal geen steen op de andere blijven, maar alles zal worden verwoest.

4 Zeg ons: wanneer zal dat gebeuren; en wat zal het teken zijn, dat dit alles zal worden vervuld? Nu begon Jesus hun te zeggen:

5 Past op, dat niemand u misleidt!

6 Want velen zullen met mijn Naam optreden, en zeggen, dat Ik het ben; en ze zullen er velen misleiden.

7 En wanneer gij zult horen van oorlogen en oorlogsgeruchten, schrikt er niet van; want dit moet allemaal wel gebeuren, maar het is het einde nog niet.

8 Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk; en er zullen aardbevingen zijn en hongersnood, hier en elders. Maar dit alles is slechts het begin van de weeën.

9 Weest op uw hoede. Men zal u aan gerechtshoven overleveren, in synagogen zult gij worden gegeseld, en voor landvoogden en koningen zult gij terecht staan ter wille van Mij, om getuigenis voor hen af te leggen.

10 Doch eerst moet aan alle volken het Evangelie worden verkondigd.

11 En wanneer men u wegvoert en verraadt, weest dan niet bezorgd, wat gij zult zeggen; maar spreekt, wat u in dat uur zal worden ingegeven. Want niet gij zijt het, die spreekt, maar de Heilige Geest.

12 De broer zal zijn broer ter dood overleveren, en de vader zijn kind; de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders, en ze doden.

13 En gij zult gehaat zijn bij allen om mijn Naam; maar wie volhardt ten einde, toe, zal zalig worden.

14 Wanneer gij de gruwel der ontheiliging ziet staan, waar hij niet staan mag, — die het leest, begrijpe het! — laat hen, die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten;

gij deze grote gebouwen? Er zal geen steen op den anderen gelaten worden, die niet zal worden weggebroken.

3 En toen Hij op de helling van den Olijfberg gezeten was, tegenover den tempel, vroegen Petrus en Jacobus en Johannes en Andréas Hem afzonderlijk:

4 Zeg ons, wanneer zal dit geschieden en wat is het teken, wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan?

5 Jezus begon tot hen te zeggen: Ziet toe, dat niemand u verleide.

6 Velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en zij zullen velen verleiden.

7 Doch wanneer gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, weest dan niet verontrust. Dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet.

8 Want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk. Er zullen nu hier, dan daar, aardbevingen zijn en er zullen hongersnoden wezen. Dat is het begin der weeën.

9 Doch gij, ziet toe op uzelf. Zij zullen u overleveren aan gerechtshoven, en in synagogen zult gij gegeseld worden en voor stadhouders en. koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen.

10 En aan alle volken moet eerst het evangelie gepredikt worden.

11 En wanneer zij u wegvoeren om u over te leveren, weest dan niet van te voren bezorgd wat gij zeggen moet, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.

12 En een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind; en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen.

13 En gij zult den haat van allen te verduren hebben om mijns naams wil. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

14 Wanneer gij dan den gruwel der verwoesting ziet staan, waar hij niet behoort — die het leest, geve er acht op — laten dan die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen.

Dan. 12 : 11.

3 En nadat hij zich op den Olijfberg had nedergezet, tegenover den tempel, vraagde Petrus hem, in besloten kring met Jakobus, Johannes en Andreas:

3 En toen Hij op de Olijfberg tegenover de tempel zat, ondervroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem afzonderlijk:

15 wie op het dak is, dale niet af

15 en wie op het dakterras is,

15 Wie op het dak is, ga niet

Sluiten