is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 En het voorhangsel van den tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden.

39 En toen de hoofdman, die tegenover het kruis stond, zag dat hij op zulk een wijze den geest gegeven had, zeide hij: Waarlijk, deze mensch was een Godszoon.

40 En daar stonden ook vrouwen toe te zien, op een afstand, onder wie ook Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus den kleine en van Joses,

41 en Salome, die hem, toen hij in Galilea was, gevolgd waren en hem gediend hadden; en vele anderen, die met hem naar Jeruzalem waren opgegaan.

Jezus' begrafenis.

42 En toen het reeds avond geworden was, kwam, daar het de dag was der voorbereiding (dat is vóór-sabbat),

43 Jozef van Arimatéa, een aanzienlijk raadsheer, die ook zelf het koninkrijk Gods verwachtte; en hij verstoutte zich, ging naar Pilatus en vroeg het lichaam van Jezus.

44 En Pilatus verwonderde zich, dat Jezus reeds dood was; en hij ontbood den hoofdman en vroeg dezen, of hij reeds was gestorven.

45 En toen hij door den hoofdman was ingelicht, schonk hij het lijk aan Jozef.

46 En Jozef kocht linnen, nam hem af van het kruis, wikkelde hem in het linnen, en legde hem in een graf, dat in een rots was uitgehouwen; en hij wentelde een steen voor den ingang van het graf.

47 En Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, zagen, waar men hem had nedergelegd.

Jezus' opstanding.

1 En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen, om hem te gaan balsemen.

2 En zeer vroeg, op den eersten dag der week, kwamen zij bij het graf, toen de zon was opgegaan.

3 En zij zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen afwentelen van den ingang van het graf?

4 En toen zij de oogen opsloegen, zagen zij, dat de steen afgewenteld was. (Die was namelijk zeer groot.)

5 En toen zij het graf waren binnengegaan, zagen zij aan de rechterzijde een jongen man zitten, gekleed in blinkend wit gewaad; en zij ontstelden.

6 Doch hij zeide tot haar: Weest niet ontsteld. Gij zoekt Jezus, den Nazarener, die gekruisigd was; hij is opgewekt, hij is niet hier. Ziet de plaats, waar zij hem gelegd hadden.

38 En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot onder.

39 Toen nu de hoofdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij onder zulke omstandigheden gestorven was, sprak hij; Waarachtig, deze man was Gods Zoon.

40 Ook enige vrouwen stonden van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus den Jongeren en van Josef, en Salome;

41 ze waren Hem gevolgd, toen Hij in Galilea was, om Hem te dienen; ook vele anderen waren er bij, die met Hem naar Jerusalem waren opgegaan.

Matt. 27 : 45—56. Luk. 23 : 44—49.

Joh. 19 : 28—37.

Graflegging.

42 Daar het een dag van voorbereiding was, daags voor de sabbat, en het reeds tegen de avond liep,

43 kwam Josef van Arimatéa, een voornaam raadsheer, die ook zelf het koninkrijk Gods verwachtte, en ging vrijmoedig naar Pilatus, om hem het lichaam van Jesus te vragen.

44 Pilatus verwonderde zich, dat Hij reeds gestorven was; hij ontbood den hoofdman, en vroeg hem, of Hij al lang was gestorven.

45 En toen hij dit van den hoofdman vernomen had, stond hij het lichaam aan Josef af.

46 Nu kocht deze een lijnwaad, nam Hem af van het kruis, en wikkelde Hem in het lijnwaad. En hij legde Hem in een graf, dat in een rots was uitgehouwen, en rolde een steen voor de ingang van het graf.

47 Maria Magdalena en Maria van Josef zagen toe, waar Hij werd neergelegd.

'Matt. 27 : 57—61. Luk. 23 : 50—56.

' Joh. 19 : 38—42.

Het ledige graf en de engel. 1 Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria van Jakobus en Salome specerijen, om Jesus te gaan balsemen.

2 Zeer vroeg op de eerste dag der week, bij het opgaan der zon, kwamen ze bij het graf.

3 En ze zeiden tot elkander: Wie zal ons de steen wegrollen voor de ingang van het graf?

4 Maar toen ze gingen zien, merkten ze, dat de steen al op zij was gerold; want hij was zeer groot.

5 Ze gingen het graf in, en zagen aan de rechterkant een jongeling zitten, in een wit gewaad gekleed. Ze werden hevig ontsteld.

6 Maar hij sprak tot haar: Weest maar niet bang! Gij zoekt Jesus van Nazaret, die gekruisig-d is? Hij is verrezen; hier is Hij niet. Ziet hier de plaats, waar men Hem heeft neergelegd.

38 En het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën van boven tot beneden.

39 Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond zag, dat Hij zó den geest gegeven had, zeide hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods.

40 Er waren ook vrouwen, die uit de verte toeschouwden, onder wie ook Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jacobus, den jongere, en van Joses, en Salomé,

41 die, toen Hij in Galiléa was, Hem volgden en Hem dienden, en vele andere vrouwen, die met Hem opgegaan waren naar Jeruzalem.

Matth. 27 : 45—56. LUC. 23 : 44—49.

Joh. 19 : 23—30.

De begrafenis.

42 En toen het reeds avond geworden was, kwam, omdat het Vrijdag, dat is de voorsabbat, was,

43 Jozef van Arimathéa, een aanzienlijk lid van den Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen.

44' En het bevreemdde Pilatus, dat Hij reeds gestorven zou zijn, en hij ontbood den hoofdman en vroeg hem, of Hij reeds lang gestorven was.

45 En toen hij het van den hoofdman vernomen had, schonk hij het lichaam aan Jozef.

46 En deze kocht linnen en hij nam Hem af van het kruis, wikkelde Hem in het linnen en legde Hem in een graf, dat in een rots uitgehouwen was, en hij wentelde een steen voor den ingang van het graf.

47 Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, zagen, waar Hij was nedergelegd.

Matth. 27 : 57—61. Luc. 23 : 50—56.

Joh. 19 : 38—42.

De opstanding.

1 En toen de Sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena en 'O Maria, de moeder van Jacobus, en Salomé specerijen om Hem te gaan zalven.

2 En zeer vroeg op den eersten dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging.

3 En zij zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen afwentelen van den ingang van het graf?

4 En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot.

5 En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar.

6 Hij zeide tot haar: Weest niet ontsteld: Jezus zoekt gij, den Nazarener, den gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem geleed hadden.