Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uwe harten?

23 Wat is lichter te zeggen: Uwe zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?

24 Doch, opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (zeide Hij tot den geraakte) : Ik zeg u. sta op, en neem, uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.

25 En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende.

26 En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreeze, zeggende: Wij hebben, heden ongeloofelijke dingen gezien.

Roeping van Levi.

27 En na dezen ging Hij uit, en zag eenen tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.

Matt. 9 : 9. Mark. 2 : 14, 15.

28 En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem.

29 En Levi richtte Hem een grooten maaltijd aan, in zijn huis; en er was eene groote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.

Matt. 9 : 10. Mark. 2 : 15. Luk. 15 : 1.

30 En hunne Schriftgeleerden en de Farizeën murmureerden tegen Zijne discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren?

31 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.

32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering.

Matt. 9 : 13. Luk. 19 : 10. 1 Tim. 1 : 15.

Het vasten.

33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der Farizeën, maar de Uwe eten en drinken ? Matt. 9 : 14.

34 Doch Hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten ? Jes. 62 : 5. 2 Kor. 11 : 2.

35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen.

36 En Hij zeide ook tot hen eene gelijkenis: Niemand zet eenen lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zoo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.

37 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederzakken; anders zoo zal de nieuwe wijn de lederzakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de lederzakken zullen verderven.

Matt. 9 : 17. Mark. 2 : 22.

38 Maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederzakken doen,, en zij worden beide tezamen behouden.

zeide tot hen: Wat denkt gij in uwe harten?

23 Wat is lichter, te zeggen: Uwe zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?

24 Maar opdat gij weet, dat des Menschen Zoon macht heeft op aarde zonden te vergeven, zeide hij tot den verlamde: Ik zeg u, sta op en neem uw bed op, en ga naar huis.

25 En dadelijk stond hij op voor hunne oogen, nam het bed op, waarop hij gelegen had, en ging naar huis, en prees God.

26 En zij ontzetten zich allen, prezen God, en werden vol vrees, zeggende: Wij hebben heden ongelooflijke dingen gezien.

Matth. 9 : 1—8. Mare. 2 : 1—12.

Levi (Muttheüs) geroepen.

27 En daarna ging hij uit, en zag een tollenaar, genaamd Levi, in het tolhuis zitten, en zeide tot hem: Volg mij.

28 En hij verliet alles, stond op en volgde hem.

29 En Levi richtte hem een grooten maaltijd in zijn huis aan; en vele tollenaars en anderen zaten met hem aan tafel.

30 En de Schriftgeleerden en Farizeën murmureerden tegen zijne jongeren, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren ?

31 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: De gezonden behoeven den geneesmeester niet, maar de kranken.

32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om zondaars tot boete te roepen.

Matth. 9 : 9—13. Mare. 2 : 13—17.

Waarom, vasten ?

33 En zij zeiden tot hem: Waarom vasten de jongeren van Johannes zoo dikwijls en bidden zoo veel, desgelijks de jongeren der Farizeën, maar uwe jongeren eten en drinken ?

34 Doch hij zeide tot hen: Gij kunt de bruiloftslieden niet doen vasten, zoolang de bruidegom bij hen is;

35 maar de tijd zal komen, dat de bruidegom van hen genomen zal worden; dan zullen zij vasten.

36 En hij zeide ook tot hen eene gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders scheurt ook het nieuwe, en de lap van het nieuwe past niet op het oude.

37 En niemand doet jongen wijn in oude lederen zakken; anders doet de jonge wijn de lederen zakken bersten en wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven;

38 maar den jongen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, dan worden beide te zamen behouden.

antwoord: Wat overlegt gij bij uzelf ?

23 Wat is lichter, te zeggen: Uw zonden zijn vergeven — of te zeggen: Sta op en loop?

24 Opdat gij dan moogt weten dat de Menschenzoon de macht heeft op aarde zonden te vergeven — toen sprak hij tot den verlamde: Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar huis.

25 Aanstonds stond hij voor aller oog op, nam het bed waarop hij gelegen had op en ging, God lovend, naar zijn huis.

26 Allen waren ontzet, prezen God en zeiden, vol vrees: Wij hebben heden ongelooflijke dingen gezien.

Roeping van Levi den tollenaar. Gekomen voor zondaren.

27 Toen hij na dezen eens uitging, viel zijn oog op een tollenaar, Levi genaamd, die aan het belastingkantoor zat, en zeide hij tot hem: Volg mij.

28 En hij liet alles liggen, stond op en volgde hem.

29 Toen richtte Levi voor hem in zijn huis een grooten maaltijd aan, waarbij een talrijke menigte tollenaars en andere menschen mee aanlagen.

30 De Farizeën dan en hun schriftgeleerden zeiden morrend tot zijn leerlingen: Waarom eet en drinkt gij met de tollenaren en zondaren ?

31 En Jezus gaf hun ten antwoord: De gezonden behoeven geen geneesheer, maar de zieken.

32 Ik ben niet gekomen om rechtschapenen te roepen, maar zondaars tot bekeering.

De vraag over het vasten.

33 Eenigen zeiden tot hem: De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en doen gebeden; desgelijks die der Farizeën; maar de uwe eten en drinken.

34 Jezus zeide tot hen: Gij kunt toch niet de bruiloftsgasten doen vasten terwijl de bruidegom bij hen is?

35 De dagen zullen komen, wanneer de bruidegom van hen is weggenomen; dan zullen zij vasten, in die dagen.

36 Toen vertelde hij hun een gelijkenis, dat niemand een lap uit een nieuw kleed scheurt en op een oud kleed zet. Anders verscheurt hij het nieuwe, en op het oude past het stuk niec dat van het nieuwe is genomen.

37 Ook giet niemand jongen wijn in oude zakken; anders scheurt de jonge wijn de zakken; zelf vloeit hij weg, en de zakken gaan te loor.

38 Maar jongen wijn moet men in nieuwe zakken gieten.

Sluiten