Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25 Zoo niet, wat zijt gij dan uitgetogen te zien? een mensch, in weelderige kleederen gehuld ? Zie, die in pronkkleedij en weelde verkeeren, wonen in de paleizen.

26 Maar wat zijt gij dan uitgetogen te zien? een profeet? ja, ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.

27 Hij is het, van wien geschreven staat: zie, ik zend mijn bode vóór uw aangezicht uit, en hij zal uwen weg bereiden vóór u heen.

28 Voorwaar, ik zeg u: onder hen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand grooter dan Johannes; maar de geringste in het koninkrijk Gods is grooter dan hij.

29 En het geheele volk, toen het hem hoorde, en de tollenaren, zij erkenden het recht Gods, door zich te laten doopen met den doop van_ Johannes;

30 maar de Farizeën en de wetgeleerden verijdelden Gods raadsbesluit over henzelf, door zich niet te laten doopen door hem.

31 Waarbij zal ik dan de menschen van dit geslacht vergelijken, en waaraan zijn zij gelijk?

32 Zij zijn gelijk aan kinderen, die op de markt zitten en elkander toeroepen: wij hebben voor u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend.

33 Johannes de dooper toch is gekomen, hij at geen brood en hij dronk geen wijn; en gij zegt: hij is bezeten door een boozen geest.

34 De zoon des menschen is gekomen, hij eet mede en hij drinkt mede, en gij zegt: hier is een vraat en een drinker, een vriend van tollenaren en zondaren.

35 En toch is de [goddelijke] wijsheid gerechtvaardigd uit allen, die haar toebehooren.

Jezus' reddende liefde bewezen aan een zondares.

36 En een zeker Farizeër verzocht Jezus bij zich ten eten; en hij kwam in het huis van den Farizeër en ging aanliggen.

37 En zie, een vrouw, die in de stad leefde als een zondares, vernam, dat hij aanlag in het huis van den Farizeër, en kwam daar met een albasten flesch met mirre.

38 En weenend ging zij achter hem aan zijn voeten staan en begon zijn voeten met hare tranen nat te maken; en zij droogde ze af met de haren van heur hoofd, en overdekte zijn voeten met kussen en zalfde ze met de mirre.

39 Toen de Farizeër die hem genoodigd had, dit zag, zeide hij bij zichzelf: Indien hij een profeet was, zou hij wel weten, wie en wat voor een vrouw het is, die hem aanraakt; hij zou wel weten, dat zij een zondares is.

25 Neen; wat zijt gij gaan zien? Een mens in zachte kleren gedost? Zie, die dure kleren en overvloed hebben, zijn in de paleizen der koningen.

26 Wat zijt gij gaan zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, en meer dan een profeet.

27 Hij is het, van wien geschreven staat: „Zie, Ik zend mijn gezant voor U uit, Die U de weg zal bereiden."

Mal. 3 : 1.

28 Ik zeg u: groter profeet dan Johannes de Doper is er niet onder de kinderen der vrouwen. Toch is de kleinste in het koninkrijk Gods groter dan hij.

29 Al het volk, zelfs de tollenaars, hebben naar hem geluisterd, en Gods rechtvaardigheid erkend, door het doopsel van Johannes ts ontvangen.

30 Maar de farizeën en de wetgeleerden hebben Gods raadsbesluit over zichzelf verijdeld, door zijn doopsel niet te ontvangen.

31 Waarmee zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken; waaraan zijn ze gelijk?

32 Ze zijn gelijk aan kinderen, die op de markt zitten, en elkander toeroepen en zeggen: We hebben voor u op de fluit gespeeld, En gij hebt niet gedanst; We hebben een treurspel gezongen, En gij hebt niet geschreid.

33 Want Johannes de Doper kwam; hij at geen brood en dronk geen wijn, en gij zegt: Hij is van den duivel bezeten.

34 Maar de Mensenzoon kwam; Hij at en dronk, en gij zegt: Zie wat een gulzigaard, wat een wijndrinker, wat een vriend van tollenaars en zondaars.

35 Maar de wijsheid wordt gerechtvaardigd door al haar kinderen. Matt. 11 : 7—19.

De zalving door de zondares.

36 Een der farizeën verzocht Hem eens bij zich ten eten. Hij ging het huis van den farizeër binnen, en lag aan tafel aan.

37 En zie, daar was een vrouw, die in de stad als zondares bekend stond Toen zij vernam, dat Hij in het huis van den farizeër aan tafel was, ging zij er heen met een albasten kruik vol balsem.

38 Wenend ging zij achter Hem staan, bij zijn voeten, en begon zijn voeten met tranen te besproeien, en met het hoofdhaar af te drogen. Dan kuste zij zijn voeten, en zalfde ze met balsem.

39 Toen de farizeër, die Hem genodigd had, dit zag, zeide hij bij zichzelf: Als Hij een profeet was, zou Hij weten, wie en wat voor een vrouw het is, die Hem aanraakt; een zondares!

25 Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in weelderige klederen gekleed? Zie, die schitterend gekleed gaan en overdadig leven, zijn in de paleizen.

26 Maar wat zijt gij gaan zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet.

27 Deze is het, van wien geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor u heen bereiden zal

Mal. 3 : l.

28 Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan Johannes, maar de kleinste in het Koninkrijk Gods is groter dan hij.

Matth. li : 2—11.

29 En toen al het volk dit hoorde, en ook de tollenaars, hebben zij God gerechtvaardigd, daar zij met den doop van Johannes gedoopt waren.

30 Maar de Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen voor zichzelf den raad Gods, daar zij niet door hem gedoopt waren.

31 Waarmede zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken en waaraan zijn zij gelijk ?

32 Zij zijn gelijk aan kinderen, die op de markt zitten en elkander toeroepen het bekende: Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend.

33 Want Johannes de Doper is gekomen, geen brood etende of wijn drinkende, en gij zegt: Hij heeft een bozen geest!

34 De Zoon des mensen is gekomen, wèl etende en drinkende, en gij zegt: Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars!

35 Doch de wijsheid is gerechtvaardigd door al haar kinderen.

Matth. 11 : 11—19.

Jezus door de zondares gezalfd.

36 Een der Farizeeën nodigde Hem om bij hem te komen eten; en Hij kwam in het huis van den Farizeeër en lag aan.

37 En zie een vrouw, die in de stad als zondares bekend was, bemerkte, dat Hij aan tafel was in het huis van den Farizeeër.

38 En zij bracht een albasten kruik met mirre, en zij ging wenende achter Hem staan, bij zijn voeten, en begon met haar tranen zijn voeten nat te maken en droogde ze af met haar hoofdhaar, en kuste zijn voeten en zalfde ze met de mirre.

39 Toen de Farizeeër, die Hem genodigd had, dat zag, zeide hij bij zichzelf: Indien deze [de] profeet was, zou Hij wel weten, wie en wat deze vrouw is, die Hem aanraakt: dat zij een zondares is.

Sluiten