Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49 Als Hij nog sprak, kwam er een van het huis des oversten der synagoge, zeggende tot hem: Uwe dochter is gestorven; zijt den Meester niet moeielijk.

Mark. 5 : 35.

50 Maar Jezus, dat hoorende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet; geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden.

51 En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds.

52 En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt.

Joh. 11 :11.

53 En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was.

54 Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij hare hand en riep, zeggende: Kind, sta op!

55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geVen zou.

56 En hare ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.

Uitzending der twaalven, q 1 En Zijne twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.

Matt. 10 :1. Mark. 3 :13. 6 :7. Luk. 6 :13.

2 En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk Gods, en de kranken gezond te maken.

Matt. 10 : 7.

3 En Hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben.

Matt. 10 : 9. Mark. 6 : 8. Luk. 22 : 35.

4 En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit.

5 En zoo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uwe voeten, tot een getuigenis tegen hen. Matt. 10 : 14. Mark. 6 : 11.

Luk. 10 : 11. Hand. 13 : 51. 18 : 6

Ileródes en Johannes.

6 En zij, uitgaande, doorgingen al de vlekken, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal.

7 En Heródes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan;

Matt. 14 : 1. Mark. 6 :_14.

8 En van sommigen, dat Elias verschenen was; en van anderen, dat een profeet van de ouden was opgestaan.

9 En Heródes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Welken ik zulke dingen hoor ? En hij zocht Hem te zien.

49 Terwijl hij nog sprak, kwam er een van het huisgezin van den overste der synagoge, en zeide tot hem: Uwe dochter is gestorven; doe den Meester geen moeite aan.

50 Maar toen Jezus dat hoorde, antwoordde hij hem, zeggende: Vrees niet, geloof slechts, en zij zal gezond worden.

51 En toen hij in het huis kwam, liet hij niemand ingaan dan Petrus, Jakobus en Johannes, en den vader en de moeder van het meisje.

52 En zij weenden allen en weeklaagden over haar. Maar hij zeide: Weent niet. Zij is niet gestorven, maar slaapt.

53 En zij belachten hem, wel wetende, dat zij gestorven was.

54 Maar hij dreef hen allen uit, nam haar bij de hand, en riep, zeggende: Meisje, sta op!

55 En haar geest kwam weder, en zij stond dadelijk op; en hij beval, dat men haar te eten zou geven.

56 En hare ouders ontzetten zich; en hij gebood hun, dat zij niemand zeggen zouden, wat er geschied was.

Matth. 9 : 18—26. Mare. 5 : 21—43.

De twaalf worden uitgezonden. 1 En hij riep de twaalve te zamen, en gaf hun kracht en macht over alle duivelen, en om ziekten te genezen;

2 en hij zond hen uit om het rijk Gods te prediken en de kranken gezond te maken,

3 en zeide tot hen: Gij zult niets met u nemen op den weg, noch staf, noch reiszak, noch brood, noch geld; niemand zal ook twee rokken hebben.

4 En waar gij in een huis zult ingaan, blijft daarin, totdat gij van daar trekt.

5 En waar zij u niet zullen aannemen, gaat uit die stad, en schudt ook het stof van uwe voeten, tot eene getuigenis tegen hen. —

6 En zij gingen uit, en trokken door de vlekken, en predikten het evangelie, en maakten overal gezond.

Matth. 10 : 1 en 5—14. Mare. 6 : 7—13

Herodes en Jezus.

7 En het kwam Herodes, den viervorst, ter oore, al wat door hem geschiedde; en hij was bezorgd, omdat door sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan;

8 en door sommigen, dat Elia verschenen was; en door anderen, dat een der oude profeten was opgestaan.

9 En Herodes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is dan deze, van wien ik zoo iets hoor? En hij begeerde hem te zien.

Matth. 14 : 1 en 2. Mare. 6 : 14—16.

49 Terwijl hij nog sprak, kwam een uit het huis van het hoofd der synagoge zeggen: Uw dochter is gestorven; val den leeraar niet meer lastig.

50 Jezus hoorde het en zeide tot hem: Vrees niet; geloof slechts, en zij zal gered worden.

51 Aan het huis gekomen, liet hij niemand mee naar binnen gaan dan Petrus, Johannes en Jacobus, benevens den vader en de moeder van het meisje.

52 Daar allen weenden en rouw bedreven, zeide hij: Weent niet; zij is niet dood maar slaapt.

53 Zij bespotten hem; daar zij wisten dat zij gestorven was.

54 Maar hij vatte haar hand en riep: Kind, sta op!

55 Toen keerde haar geest terug en stond zij dadelijk op; waarop hii gelastte haar iets te eten te geven.

56 Haar ouders stonden versteld, en hij verbood hun het gebeurde aan iemand te vertellen.

Uitzending der Twaalve en opdracht aan hen.

1 Eens riep Jezus de Twaalve samen, gaf hun kracht en volmacht over alle duivelen en om ziekten te genezen,

2 en zond hen uit om het Koninkrijk Gods te verkondigen en als geneesmeesters op te treden,

3 met den last: Neemt niets mee op weg, stok noch reiszak, brood noch geld; hebt ook geen twee stuks onderkleeren.

4 Komt gij in een huis, blijft daar en gaat van daar weer verder.

5 En wanneer men u niet ontvangt, schudt bij het verlaten van die stad het stof van uw voeten af, tot een getuigenis tegen hen.

6 Toen gingen zij heen en trokken de dorpen rond, overal de Blijmare brengend en zieken genezend.

Herodes en Jezus.

7 Toen de viervorst Herodes van al die dingen hoorde, raakte hij in verlegenheid, omdat sommigen zeiden dat Johannes uit de dooden was opgestaan,

8 en anderen dat Elia verschenen was, anderen weer dat een van de oude profeten was opgestaan.

9 Herodes dacht: Johannes heb ik laten onthoofden; wie is dan die man van wien ik deze dingen hoor ? Hij trachtte daarom hem te zien te krijgen.

Sluiten