is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52 En zij gingen heen en kwamen aan een dorp der Samaritanen, om voor hem een verblijf in gereedheid te brengen.

53 Maar de Samaritanen namen hem niet op, omdat hij reizende was naar Jeruzalem.

54 Toen nu zijn discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heer, wilt gij dat wij zeggen, dat er vuur van den hemel dale en hen vertere ?

52 Hij zond boden voor Zich uit; ze gingen op reis, en kwamen in een stad der Samaritanen, om Hem een verblijf te bereiden.

53 Maar men ontving Hem niet, omdat Hij naar Jerusalem reisde.

54 Toen zijn leerlingen Jakobus en Johannes dit merkten, zeiden ze: Heer, wilt Gij, dat we zeggen, dat er vuur uit de hemel komt, om ze te verdelgen?

52 en Hij zond boden voor zich uit. En zij gingen heen en kwamen in een dorp der Samaritanen om alles voor Hem gereed te maken.

53 En zij ontvingen Hem niet, omdat zijn aangezicht gericht was naar Jeruzalem.

54 Toen de discipelen Jacobus en Johannes dit bemerkten, zeiden zij: Here, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel zal nederdalen om hen te verteren?

55 Doch Hij keerde zich om en bestrafte hen.

56 En zij gingen naar een ander dorp.

Het volgen van Jezus. 57 En toen zij op weg waren, zeide iemand tot Hem: Ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.

58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neder te leggen.

58 En Hij zeide tot een ander: Volg Mij. Maar deze zeide: Sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.

60 Maar Hij zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; maar ga gij heen en verkondig het Koninkrijk Gods.

Matth. 8 : 19—22.

61 En weer een ander zeide: Ik zal U volgen, Here, maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten.

62 Maar Jezus zeide [tot hem]: Niemand, die de hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods.

55 Maar hij keerde zich om en bestrafte hen.

56 En zij reisden naar een ander dorp.

Eischen aan Jezus' volgelingen gesteld.

57 En toen zij hun reis voortzetten, zeide onderweg iemand tot hem: Ik zal u volgen, waar gij ook heengaat.

58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de zoon des menschen heeft niet, waar hij het hoofd kan nederleggen.

59 En hij zeide tot een ander: Volg mij. Doch deze zeide: Sta mij toe, dat ik eerst heenga en mijn vader begrave.

60 Maar hij zeide tot hem: Laat de dooden hunne dooden begraven; maar gij, ga heen en verkondig alom het koninkrijk Gods.

61 En nog een ander zeide: Ik zal u volgen, heer, maar sta mij eerst toe, dat ik afscheid neme van hen, die tot mijn huis behooren.

62 Doch Jezus zeide tot hem: Niemand, die de hand aan den ploeg slaat en achterwaarts ziet, is bekwaam voor het koninkrijk Gods.

De uitzending der zeventig. De onboetvaardigheid van de Galileërs.

1 Hierna stelde de Heer nog zeventig anderen aan, en zond hen twee aan twee vóór zich uit, naar elke stad en plaats, waarheen hij komen zou.

2 En hij zeide tot hen: De oogst is wel groot, maar het getal der arbeiders gering; bidt dan den heer des oogstes, dat hij arbeiders uitzende tot zijn oogst.

3 Gaat heen! Zie, ik zend u uit als lammeren te midden van wolven.

4 Draagt geen buidel, geen reiszak, geen schoeisel. Staat niet stil onderweg, om iemand te groeten.

55 Maar Hij keerde Zich om, en berispte hen. [Hij zeide: Gij weet niet, wat voor geest u bezielt.

56 Want de Mensenzoon is niet gekomen, om 3e zielen der mensen in het verderf te storten, maar om ze te redden.] Ze gingen dus naar een ander dorp.

Noodzakelijke onthechting.

57 Terwijl zij voortreisden, zei iemand tot Hem: Ik zal U volgen, waarheen Gij ook gaat.

58 Jesus zeide hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht hebben nesten; maar de Mensenzoon heeft niets, om er zijn hoofd op te leggen.

59 En tot een ander sprak Hij: Volg Mij. Deze zeide: Heer, sta me toe, eerst mijn vader te gaan begraven.

60 Jesus sprak tot hem: Laat de doden hun doden begraven; ga heen, en verkondig het koninkrijk Gods.

61 Weer een ander zeide: Ik zal U volgen, Heer; maar sta me toe, eerst van mijn huisgenoten afscheid te nemen.

62 Jesus sprak tot hem: Wie zijn hand aan de ploeg slaat en achterwaarts blikt, is niet geschikt voor het koninkrijk Gods.

Matt. 8 : 18—22.

Uitzending der twee en zeventig leerlingen.

1 Daarna stelde de Heer nog twee en zeventig anderen aan, en zond ze twee aan twee voor Zich uit naar elke stad of plaats, waar Hij zelf naar toe wilde gaan.

2 En Hij sprak tot hen: De oogst is groot, maar werklieden zijn er weinig. Vraagt dus den Heer van de oogst, dat Hij werklieden zendt in zijn oogst. —

3 Gaat heen; zie, Ik zend u als lammeren midden onder de wolven.

4 Draagt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoenen; en groet niemand onderweg. —

De uitzending van de zeventig.

1 Daarna wees de Here nog [twee |0 en] zeventig aan en Hij zond hen twee aan twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen, waar Hij zelf komen zou.

2 En Hij zeide tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinigen: bidt daarom den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst.

Matth. 9 : 37, 38.

3 Gaat heen, zie, Ik zend u als lammeren midden onder wolven.

4 Draagt geen beurs of reiszak of sandalen, en groet niemand onderweg.

5 Wanneer gij een huis binnentreedt, zegt dan eerst: vrede zij dezen huize.

6 En indien aldaar iemand is, tot vrede geneigd, zoo zal uw vredegroet op hem rusten. Maar indien niet, zoo zal die tot u wederkeeren.

5 Wanneer gij een huis binnenkomt, zegt dan eerst: Vrede aan dit huis!

6 En als daar een kind van de vrede woont, zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan keert hij terug op u.

5 Als gij een huis binnentreedt, zegt dan eerst: Vrede zij dezen huize.

6 En indien daar een zoon des vredes is, dan zal uw vrede op hem rusten, maar zo niet, dan zal hij tot u terugkeren.