is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezet en maait wat gij niet hebt gezaaid.

22 En hij zeide tot hem: uit uw eigen mond zal ik u richten, gij slechte dienstknecht. Gij wist, dat ik een streng mensch ben, en neem wat ik niet heb uitgezet, en maai wat ik niet heb gezaaid.

23 Waarom hebt gij dan mijn geld niet bij een bank gegeven? dan zou ik zelf, bij mijn terugkeer, het met rente hebben teruggenomen.

24 En tot de dienaren die daarbij stonden, zeide hij: neemt hem het pond af, en geeft het hem, die tien ponden heeft.

25 En zij zeiden tot hem: heer, hij heeft reeds tien ponden.

26 Ik zeg u: aan ieder die heeft, zal gegeven worden, maar van wie niet heeft, zal genomen' worden ook wat hij heeft.

28 En na dit gezegd te hebben, zette hij zijn reis voort, öp naar Jeruzalem.

36 En terwijl hij voorttrok, spreidden zij hunne kleederen onder hem op den weg.

37 Toen hij aireede naderbij kwam en juist van den Olijfberg afdaalde, begon de geheele menigte der discipelen, vol vreugde, God met luide stem te prijzen voor al de machtdaden, die zij gezien hadden;

38 en zij zeiden: Gezegend is hij die komt, de koning, in den naam des Heeren! in den hemel vrede en eere in den hooge!

39 En sommige Farizeën uit de schare zeiden tot hem: Meester, bestraf toch uwe discipelen.

geven, en ge maait wat ge niet hebt gezaaid.

22 Hij zei hem: Met uw eigen woorden zal ik u oordelen, boze knecht. Ge wist, dat ik een streng man ben; dat ik opvorder, wat ik niet heb gegeven, en maai, wat ik niet heb gezaaid.

23 Waarom hebt ge dan mijn geld niet uitgezet op de bank; dan zou ik het bij mijn komst met rente hebben teruggekregen.

24 En tot de omstanders zeide hij: Neemt hem het pond af, en geeft het aan hem, die de tien ponden heeft.

25 Ze zeiden hem: Heer, hij heeft reeds tien pond.

26 Ik zeg u: Wie heeft, aan hem zal worden gegeven; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden, wat hij bezit.

De blijde intocht. 28 Na deze woorden ging Hij voorop, en trok naar Jerusalem.

36 Terwijl Hij voortreed, spreidden ze hun mantels uit over de weg.

37 En toen Hij reeds aan de helling van de Olijfberg was gekomen, begon heel de groep van leerlingen vol blijdschap met luider stem God te verheerlijken om al de wonderen, die ze hadden aanschouwd;

38 en ze zeiden: Gezegend de Koning, Die komt in de naam des Heren! Vrede in de hemel, En glorie in den hoge!

39 Enige farizeën uit de menigte zeiden tot Hem: Meester, breng uw leerlingen tot bezinning.

gezet en gij maait wat gij niet gezaaid hebt.

22 Hij zeide tot hem: Uit uw eigen mond zal ik u oordelen, slechte slaaf. Gij wist, dat ik een streng mens ben, die wegneemt wat ik niet heb uitgezet en maai wat ik niet gezaaid heb.

23 Waarom hebt gij dan mijn geld niet bij de bank gegeven? Dan zou ik het bij mijn komst met rente opgevraagd hebben.

24 En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Neemt hem het pond af en geeft het hem, die tien ponden heeft.

25 En zij zeiden tot hem: Heer hij heeft al tien ponden.

26 Ik zeg u, aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden, en van hem, die niet heeft, zal afgenomen worden ook wat hij heeft.

Matth. 25 : 26—29.

27 Doch die vijanden van mij, welke niet wilden, dat ik over hen koning werd, brengt hen hier en slacht ze voor mijn ogen.

De intocht in Jeruzalem. 28 En toen Hij dit gezegd had, ging Hij hen voor om op te gaan naar Jeruzalem.

29 En het geschiedde, toen Hij Bethphagé en Bethanië naderde, bij den berg, genaamd Olijfberg, dat Hij twee van zijn discipelen uitzond, en zeide:

30 Gaat naar het dorp hiertegenover en als gij het binnenkomt, zult gij daar een veulen vastgebonden vinden, waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt het los en brengt het hier.

31 En indien iemand u vraagt: Waarom maakt gij het los? zegt dan: De Here heeft het nodig.

32 En zij, die uitgezonden waren, gingen heen en vonden het, zoals Hij hun gezegd had.

33 Toen zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars tot hen: Waarom maakt gij het veulen los?

34 En zij zeiden: De Here heeft het nodig.

35 En zij brachten het tot Jezus, en wierpen hun klederen over het veulen en hielpen Jezus er op.

36 En terwijl Hij voorttrok, spreidden zij hun klederen op den weg.

37 Toen Hij reeds dichterbij kwam, aan de glooiing van den Olijfberg, begon de gehele menigte der discipelen vol blijdschap God te prijzen, met luider stem, om al de krachten, die zij gezien hadden,

38 en zij zeiden: Gezegend Hij, die komt, de Koning, in den naam des Heren; in den hemel vrede en ere in de hoogste hemelen!

Ps. 118 : 26.

39 En enigen der Farizeeën uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf uw discipelen.

27 Maar deze mijne vijanden, die niet wilden dat ik koning over hen zou worden, brengt ze hier en houwt ze voor mijn oogen neder!

27 En wat mijn vijanden aangaat, die me niet tot koning over zich wilden, brengt ze hier, en steekt ze voor mijn ogen neer.

Matt. 25 : 14—30.

Jezus treedt tegenover het volk

op als de Christus.

Jezus' intocht in Jeruzalem als vredevorst. 29 En het geschiedde, toen hij Bethanië en Betfagé naderde, aan den berg, die Olijfberg genaamd wordt, zoo zond hij twee zijner discipelen uit,

30 met de opdracht: Gaat heen naar het dorp daar vóór u; en wanneer gij daar komt, zult gij een veulen vastgebonden vinden, waarop geen mensch ooit gezeten heeft. Maakt het los en brengt het hier;

31 en indien iemand u vraagt: waarom maakt gij het los? zult gij dit antwoorden: de Heer heeft het van noode.

32 En zij die uitgezonden waren, gingen heen en vonden het, gelijk hij hun gezegd had.

33 En toen zij het veulen los maakten, zeiden de eigenaars tot hen: Waarom maakt gij het veulen los?

34 En zij Zeiden: De Heer heeft het van noode.

35 En zij brachten het tot Jezus, en legden hunne kleederen op het veulen en hielpen Jezus er op.

29 En toen Hij Bétfage en Betanië was genaderd, op de berg, die de Olijfberg heet, zond Hij twee van zijn leerlingen vooruit,

30 en sprak: Gaat naar het dorp hier tegenover; zodra gij er binnen komt. zult gij er een veulen vinden, dat vastgebonden is, en waarop nog geen mens heeft gezeten; maakt het los, en brengt het hier.

31 En zo iemand u vraagt; Waarom maakt gij het los? moet gij hem zeggen: De Heer heeft het nodig.

32 Zij, die vooruit werden gezonden, gingen er heen, en vonden het, zoals Hij het hun had gezegd.

33 Toen ze het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars tot hen: Waarom maakt gij het veulen los ?

34 Ze zeiden: De Heer heeft het nodig.

35 Een ze brachten het veulen bij Jesus, legden er hun mantels over heen, en hielpen Jesus er op.