Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij is met de misdadigen gere- onder de kwaaddoeners gerekend", gers gerangschikt. Want het loopt

kend. Want ook die dingen, die Jes. 53 : 12. met mij ten einde,

van Mij geschreven zijn, hebben Want wat van mij geschreven is,

een einde. jes. 53 : 12. Mark. 15 : 28. dat heeft een einde.

38 En zij zeiden: Heere! zie hier 38 En zij zeiden: Heer, ziehier 38 Zij zeiden: Heer, hier zijn twee

twee zwaarden. En Hij zeide tot twee zwaarden. En hij zeide tot zwaarden. Hij zeide hun: Het is

hen: Het is genoeg. hen: het is genoeg. wel. —

Jezus in Gethsémané.

39 En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar den Olijfberg; en Hem volgden ook Zijne discipelen. Matt.26 :36.

Mark. 14 : 32. Joh. 8 : 1. 18 :1.

40 En als Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.

41 En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent eenen steenworp; en knielde neder en bad.

Matt. 26 : 39. Mark. 14 : 35.

42 Zeggende: Vader! of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen! doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede. Joh. 6 : 38.

43 En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte.

44 En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En Zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.

Joh. 12 : 27. Hebr. 5 : 7.

45 En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijne discipelen, en vond hen slapende van droefheid.

46 En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.

Gevangenneming van Jezus.

47 En als Hij nog sprak, ziet daar eene schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.

Matt. 26 : 47. Mark. 14 : 43. Joh. 18 : 3.

48 En Jezus zeide tot hem: Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus ?

49 En die bij Hem waren, ziende, wat er geschieden zou, zeiden tot Hem: Heere! zullen wij met het zwaard slaan ?

50 En een uit hen sloeg den dienstknecht des hoogepriesters, en hieuw hem zijn rechteroor af.

Matt. 26 : 51. Mark. 14 : 47.

51 En Jezus, antwoordende, zeide: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem.

52 En Jezus zeide tot de overpriesters, en de hoofdmannen des tempels, en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen eenen moordenaar?

Matt. 26 : 55. Mark. 14 : 48.

53 Als Ik dagelijks met u was in den tempel, zoo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uwe ure, en de macht der duisternis.

Gebedsstrijd in Gethsemané. 59 En hij ging naar zijne gevoonte, uit naar den Olijfberg; en lijne jongeren volgden hem.

10 En toen hij aan die plaats getomen was, zeide hij tot hen: Bidt, jpdat gij niet in verzoeking komt.

tl En hij scheidde zich van hen if, omtrent een steenworp, en knielde neder, en bad, en zeide:

12 Vader, wilt gij, zoo neem dezen kelk van mij: doch niet mijn, maar uw wil geschiede.

43 En hem verscheen een Engel van den hemel, die hem sterkte.

44 En in doodsangst zijnde, bad hij vuriger. En zijn zweet werd als druppelen bloeds, die op de aarde vielen.

45 En hij stond op van het gebed, en kwam tot zijne jongeren, en vond hen slapende van treurigheid;

46 en hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.

Matth. 26 : 36—46. Mare. 14 : 32—42.

De gevangenneming.

47 En terwijl hij nog sprak, ziedaar de bende; en een van de twaalve, genaamd Judas, ging voor hen uit, en trad tot Jezus om hem te kussen.

48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij des Menschen Zoon met een kus?

49 Toen nu zij, die bij hem waren, zagen wat het worden zou, zeiden zij tot hem: Heer, zullen wij met het zwaard er onder slaan?

50 En een van hen sloeg des Hoogepriesters knecht en hieuw hem het rechteroor af.

51 Maar Jezus antwoordde en zeide: Laat hen toch tot zoover begaan! En hij raakte zijn oor aan en heelde hem.

52 En Jezus zeide tot de Hoogepriesters en de hoofdlieden des tempels en de Oudsten die tegen hem gekomen waren: Gij zijt uitgegaan als tot een moordenaar met zwaarden en met stokken;

53 ik ben dagelijks bij u geweest in den tempel, en gij hebt geen hand aan mij geslagen; maar dit is uwe ure, en de macht der duisternis.

Gethsemane.

39 En hiermee ging hij de stad uit en begaf zich volgens gewoonte naar den Olijfberg, gevolgd door de leerlingen.

40 En daar gekomen, zeide hij hun: Bidt niet in verzoeking te komen.

41 Hijzelf verwijderde zich ongeveer een steenworp, knielde neer en bad:

42 Vader, indien Gij wilt, laat deze beker mij voorbijgaan; doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede.

43 Toen verscheen hem een engel uit den hemel, die hem bemoedigde.

44 Door doodsangst aangegrepen, bad hij al vuriger, en zijn zweet werd als bloeddroppels, die op den grond vielen.

45 Toen hij opstond van het gebed en bij de leerlingen kwam, vond hij hen slapend van droefenis

46 en zeide hun: Wat slaapt gij? Staat op en bidt niet in verzoeking te komen.

47 Terwijl hij nog sprak, kwam daar een bende aan; de man die Judas heette, een der Twaalve, ging vooruit en trad op Jezus toe om hem te kussen.

48 En Jezus zeide tot hem: Judas, levert gij den Menschenzoon met een kus over?

49 Toen zij die met hem waren zagen wat gebeuren zou, zeiden zij: Heer, zullen wij met het zwaard er op in slaan ?

50 En een van hen trof den slaaf van den hoogepriester en hieuw hem het rechteroor af.

51 Maar Jezus antwoordde: Houdt op, niet meer! raakte het oor aan en genas het.

52 Tot de overpriesters, tempelhoofden en oudsten die op hem toetraden zeide hij: Zijt gij met zwaarden en knuppels uitgetrokken als tegen een roover?

53 Terwijl ik dagelijks bij u in den tempel was hebt gij geen hand tegen mij uitgestoken. Maar dit is uw ure en de macht der duisternis.

Verloochening van Petrus. 54 En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis des hoogepriesters. En Petrus volgde van verre.

Matt. 26 : 57. Mark. 14 : 53.

Joh. 18 : 12, 24.

54 En zij grepen hem en leidden hem weg, en brachten hem in des Hoogepriesters huis; en Petrus volgde van verre.

Matth. 26 : 47—57. Mare. 14 : 43—53.

Joh. 18 : 1—13.

Verloochening van Petrus. 54 Zij grepen hem, leidden hem weg en brachten hem in het huis van den hoogepriester, terwijl Petrus van verre volgde.

Sluiten