Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 Toen riepen zij allen, als één 18 Maar zs schreeuwden allen teman: Weg met dezen! laat ons zamen: Weg met Hem, en laat ons Barabbas los! Barabbas vrij.

19 (Deze nu was wegens een oproer, dat in de stad had plaats gevonden, en wegens doodslag, in de gevangenis geworpen.)

20 En nogmaals sprak Pilatus hen toe, daar hij Jezus wenschte los te laten.

21 Maar zij schreeuwden: Kruisig hem! kruisig hem!

22 Ten derden male sprak hij tot hen: Wat voor kwaads heeft hij dan gedaan? ik heb in hem niets gevonden, dat den dood verdient. Zoo zal ik hem kastijden en loslaten.

23 Doch zij drongen met heftig geroep bij hem aan en eischten, dat hij gekruisigd zou worden; en zij wonnen het met hun geroep.

24 En Pilatus deed uitspraak, dat aan hun verlangen zou worden voldaan.

25 En hij liet den man los, om wien zij vroegen, die wegens oproer en doodslag in de gevangenis was geworpen; maar Jezus leverde hij over aan hun willekeur.

I Jezus weggeleid en gekruisigd.

26 En toen zij hem wegleidden, hielden zij een zekeren Simon van Cyréne aan, die van het veld kwam; en zij legden hem het kruis op, om het, achter Jezus aan, te dragen.

27 En hem volgde een groote menigte van het volk en van vrouwen, die zich op de borst sloegen en de rouwklacht over hem aan-

1 hieven.

28 En Jezus wendde zich tot haar en zeide: Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over uzelf en over uwe kinderen.

29 Want zie, er komen dagen, waarin men zeggen zal: welzalig de vrouwen die onvruchtbaar zijn, en die nimmer kinderen ter wereld gebracht, of aan haar boezem gevoed hebben.

30 Dan zal men beginnen te zeg-

Ïgen tot de bergen: valt op ons en tot de heuvelen: bedekt ons!

31 Want als zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?

32 En er werden twee anderen weggeleid, boosdoeners, om met hem ter dood gebracht te worden.

33 En toen zij kwamen op de plaats, die De Schedel genaamd wordt, sloegen zij hem aldaar aan het kruis; en de boosdoeners, den een ter rer.htpr- Hpn anrior tor-

linkerzijde.

Jezus aan het kruis. 34 Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen. En zij wierpen het lot, om zijne kleederen onderling te verdeelen.

19 Deze was om een oproer, dat in de stad was uitgebroken, en om een moord in de gevangenis geworpen.

20 Opnieuw sprak Pilatus hun toe, daar hij Jesus wilde vrijlaten.

21 Maar ze schreeuwden er tegen in: Kruisig Hem, kruisig Hem!

22 Ten derden male zei hij hun: Wat kwaad heeft hij dan gedaan ? Ik heb in Hem geen doodschuld gevonden; ik zal Hem dus vrijlaten, maar Hem eerst laten geselen!

23 Maar luid gillend hielden ze aan, en eisten, dat Hij gekruisigd zou worden; en hun kreten wonnen het pleit.

24 Pilatus besliste, dat hun eis zou worden ingewilligd.

25 Hij liet op hun verzoek den man vrij, die om oproer en moord in de gevangenis was geworpen; maar Jesus leverde hij aan hun willekeur over. Matt. 27 :11—26.

Mark. 15 : 1—15. Joh. 18 : 28—19 : 15.

Kruisweg en Kruisiging.

26 En terwijl ze Hem wegvoerden, hielden ze zekeren Simon van Cyrene aan, die juist van het veld kwam, en legden hem het kruis op, om het Jesus achterna te dragen.

27 Een grote volksmenigte volgde Hem; ook een menigte vrouwen, die zich op de borst sloegen en over Hem weenden.

28 Maar Jesus keerde Zich om, en sprak tot haar: Dochters van Jerusalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen.

29 Want zie, er komen dagen, waarop men zal zeggen: „Zalig de onvruchtbaren; de schoot, die niet heeft gebaard, en de borsten, die niet hebben gevoed."

30 Dan zal men tot de bergen gaan zeggen: „Valt op ons neer"; en tot de heuvelen: „Bedekt ons".

31 Want als men zó met het groene hout handelt, wat zal er dan met het dorre geschieden?

32 Nog twee anderen, twee misdadigers, werden weggeleid, om tegelijk met Hem de doodstraf te ondergaan.

33 Toen ze op de plaats waren gekomen, die Kalvarië wordt genoemd, sloegen ze Hem aan het kruis; zo ook de misdadigers, één aan zijn rechterhand, één aan de linker.

34 En Jesus zeide: Vader, vergeef het hun; want ze weten niet, wat ze doen. En ze verdeelden zijn klederen bij het lot.

Matt. 27 : 32—38. Mark. 15 : 21—28.

Joh. 19 : 16—24.

18 Maar zij schreeuwden als één man, zeggende: Weg met Hem, laat ons Barabbas los!

19 En deze was na een oproer, dat in de stad was voorgevallen, en om een doodslag gevangen gezet.

20 Doch Pilatus richtte zich wederom met luider .stem tot hen, omdat hij Jezus wenste los te laten.

21 Maar zij riepen terug en zeiden: Kruisig Hem, kruisig Hem!

22 Hij zeide voor de derde maal tot hen: Wat heeft deze dan toch voor kwaad gedaan? Ik heb niets bij Hem gevonden, waarop de doodstraf staat. Ik zal Hem dus geselen en dan loslaten!

23 Maar zij drongen aan en eisten onder luid geschreeuw, dat Hij gekruisigd zou worden, en hun geschreeuw werd al sterker.

24' En Pilatus besliste, dat aan hun eis moest worden voldaan.

25 En hij liet den man los, die wegens oproer en doodslag was gevangen gezet, dien zij eisten, doch Jezus gaf hij over aan hun Wil. Matth. 27 : 15—26. Mare. 15 : 6—15.

Joh. 18 : 38—19 : 16.

Jezus naar het kruis geleid.

26 En toen zij Hem wegleidden, grepen zij een zekeren Simon van (Cyrene, die van het land kwam, en legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen.

Matth. 27 : 32. Mare. 15 : '21. Joh. 19 : 17.

27 En Hem volgde een grote menigte van volk en van vrouwen, die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden.

28 En Jezus wendde zich tot haar en zeide: Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, doch weent over uzelf en over uw kinderen,

29 want zie, er komen dagen, waarop men zeggen zal: Zalig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet heeft gebaard, en de borsten, die niet hebben gezoogd.

30 Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons.

Hos. 10 : 8.

31 Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal met het dorre geschieden?

32 Er werden ook nog twee misdadigers weggeleid, om met Hem te worden terechtgesteld.

Golgotha.

33 En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, den enen aan zijn rechterzijde en den anderen aan zijn linkerzijde.

34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En zij wierpen het lot om zijn kleding te verdelen.

Ps. 22 : 19.

Sluiten