Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mamm

44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Hoogl. 1 : 4. Joh. 6 : 65.

45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

Jes. 54:13. Jer. 31:33. Hebr. 8:10. 10:16.

46 Niet dat iemand den Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft den Vader gezien.

Matt. 11 : 27. Luk. 10 : 22. Joh. 1 : 18. 7 : 29. 8 : 15.

47 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Joh. 3 : 16, 36.

48 Ik ben het Brood des levens.

49 Uwe vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven.

Ex. 16 : 4. Num. 11 : 7. Ps. 78 : 24.

50 Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete, en niet sterve.

51 Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zoo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vleesch, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.

Joh. 11 : 26. Hebr. 10 : 5, 10.

52 De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vleesch te eten geven?

joh. 3 : 9.

53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vleesch des Zoons des menschen eet, en Zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelven.

54 Die Mijn vleesch eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opweKKen ten uitersten dage.

Joh. 3 : 16. 4 : 14. 6 : 27, 40.

55 Want Mijn vleesch is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank.

56 Die Mijn vleesch eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.

57 Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader; alzoo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij.

58 Dit is het Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uwe vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven.

Joh. 3 : 13.

59 Deze dingen zeide Hij in de synagoge, leerende te Kapérnaiim.

Jezus door vélen Zijner discipelen verlaten.

60 Velen dan van Zijne discipelen, dit hoorende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve hooren?

61 Jezus nu, wetende bij Zichzelven, dat Zijne discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit?

62 Wat zou het dan zijn, zoo gij den Zoon des menschen zaagt opvaren, daar Hij te voren was?

Mark. 16 : 19. Luk. 24 : 50. Joh. 3 : 13. Hand. 1 : 9. Efez. 4 : 8.

44 Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke; en ik zal hem opwekken ten jongsten dage.

45 Er staat geschreven in de profeten: „Zij zullen allen van God geleerd zijn". Een ieder, die van den Vader hoort en leert, die komt tot mij.

Jes. 54 : 13.

46 Niet dat iemand den Vader gezien heeft, behalve die van God is; deze heeft den Vader gezien.

47 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie in mij gelooft, die heeft het eeuwige leven.

48 Ik ben het brood des levens.

49 Uwe vaderen hebben manna gegeten in de woestijn, en zijn gestorven;

50 dit is het brood, dat van den hemel komt, opdat wie daarvan eet niet sterve.

51 Ik ben het levende brood, dat van den hemel gekomen is; wie van dit brood eten zal, die zal leven in eeuwigheid; en het brood, dat ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld.

52 Toen twistten de Joden onder elkander en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vleesch te eten geven?

53 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Tenzij dat gij eet het vleesch van des Menschen Zoon, en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in u.

54 Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en ik zal hem ten jongsten dage opwekken;

55 want mijn vleesch is de ware spijs, en mijn bloed is de ware drank.

56 Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem.

57 Gelijk de levende Vader mij gezonden heeft, en ik leef door den Vader, alzoo, wie mij eet, die zal ook leven door mij.

58 Dit is het brood dat van den hemel gekomen is; niet gelijk uwe vaderen manna gegeten hebben, en gestorven zijn. Wie dit brood eet, die zal leven in eeuwigheid.

59 Dit zeide hij in de synagoge, toen hij leerde te Kapernaüm.

„Deze rede is hard."

60 Velen nu van zijne jongeren, die dit hoorden, zeiden: Dit zijn harde woorden, wie kan ze hooren?

61 Toen nu Jezus bij zichzelven bemerkte, dat zijne jongeren daarover murmureerden, zeide hij tot hen: Ergert u dit?

62 Hoe wanneer gij dan des Menschen Zoon zult zien opvaren daarheen waar hij te voren was.

44 Niemand kan tot mij komen tenzij de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke, en ik zal hem ten laats ten dage opwekken.

45 Er staat in de Profeten geschreven: En allen zullen van God geleerd zijn. Ieder die hoort en leert wat vanwege den Vader verkondigd wordt komt tot mij.

46 Niet dat iemand den Vader gezien heeft. Dit heeft slechts hij die i van God afkomstig is; die heeft den Vader gezien.

47 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, wie gelooft heeft het eeuwige leven.

48 Ik ben het levensbrood.

49 Uw vaderen aten in de woestijn het manna en zijn gestorven.

50 Dit is het brood dat uit den hemel neerdaalt, opdat men daarvan ete en niet sterve.

51 Ik ben het levende brood dat uit den hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij in eeuwigheid leven. En het brood dat ik geven zal is mijn vleesch, dat dient voor het leven der wereld.

52 Nu twistten de Joden onder elkander: Hoe kan hij ons zijn vleesch te eten geven?

53 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, indien gij het vleesch van den Menschenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u.

54 Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt heeft het eeuwige leven, en ik zal hem ten laatsten dage opwekken.

55 Want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank.

56 Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem.

57 Zooals de levende Vader mij gezonden heeft en ik leef door den Vader, zoo zal ook hij die mij eet door mij leven.

58 Dit is het uit den hemel neergedaalde brood, niet als bij de vaderen, die wel aten maar toch stierven; wie dit brood eet zal leven tot in eeuwigheid.

69 Dit sprak hij toen hij in de synagoge te Kapernaüm onderwijs gaf.

Aanstoot bij vele leerlingen. Geloof van Simon Petrus.

60 Op het hooren hiervan zeiden vele zijner leerlingen: Dat woord is hard; wie kan dat aanhooren?

61 En Jezus, die wist dat zij daarover mompelden, zeide tot hen: Ergert u dit?

62 Maar hoe zal het dan zijn wanneer gij den Menschenzoon daarheen ziet opstijgen waar hij vroeger was?

Sluiten