Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35 Jezus weende.

36 Toen zeiden de Joden: Zie, hoe lief hij hem had.

37 Maar sommigen van hen zeiden: Kon hij, die de oogen des blinden heeft geopend, niet maken, dat ook deze niet gestorven was?

38 Jezus nu, wederom innerlijk geërgerd, kwam bij het graf. Dit was een grot en een steen lag voor de opening.

39 Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster van den gestorvene, zeide tot hem: Heer, hij riekt reeds, want hij ligt al vier dagen.

40 Jezus zeide tot haar: Heb ik u niet gezegd, dat, indien gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zult zien?

41 Toen namen zij den steen weg. En Jezus hief de oogen opwaarts en zeide: Vader, ik dank u, dat gij mij verhoord hebt.

42 Ik wist, dat gij mij altoos hoort: maar terwille van de menigte, die mij omringt, heb ik dit gezegd, opdat zij gelooven, dat gij mij gezonden hebt.

43 En na deze woorden riep hij met luide stem: Lazarus, kom uit!

Besluit van den Joodschen raad, om Jezus te dooden.

45 Velen nu van de Joden die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, wat hij gedaan had, gingen in hem gelooven.

46 Doch sommigen hunner begaven zich naar de Farizeën, en zeiden hun wat Jezus gedaan had.

48 Indien wij hem zoo laten begaan, zullen allen in hem gaan gelooven, en de Romeinen zullen komen en ons plaats en volk beide ontnemen.

49 Doch één hunner, Kajafas, die dat jaar hoogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat er niets van!

50 en gij beseft niet, dat het beter voor u is, dat één mensch voor het Volk sterve dan dat het gansche volk te gronde ga.

51 Dit zeide hij echter niet uit zichzelf; maar omdat hij dat jaar hoogepriester was, profeteerde hij, dat Jezus voor het volk moest sterven;

52 en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen.

35 En Jesus weende.

36 De joden zeiden: Zie, hoe Hij hem liefhad.

37 Maar sommigen hunner zeiden: Kon Hij, die de ogen van den blinde heeft geopend, niet evengoed zorgen, dat deze niet stierf?

38 Jesus aan, opnieuw hevig bewogen, kwam bij het graf. Het was een grot, en een steen sloot de ingang af.

39 Jesus sprak: Neemt de steen weg. Marta, de zuster van den overledene, zeide Hem: Heer, hij riekt al; want het is reeds de vierde dag.

40 Jesus sprak tot haar: Heb Ik u niet gezegd: Wanneer ge gelooft, zult ge Gods heerlijkheid zien ?

41 Men nam dus de steen weg. Toen sloeg Jesus de ogen omhoog, en sprak: Vader, Ik dank U, omdat Gij Mij hebt verhoord.

42 Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort; maar Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.

43 Na deze woorden riep Hij met luider stem: Lazarus, kom uit.

45 Velen van de joden, die naar Maria waren gekomen, en gezien hadden, wat Jesus gedaan had, geloofden daarom in Hem.

46 Maar sommigen van hen liepen naar de farizeën, en deelden hun mee, wat Jesus gedaan had.

48 Als we Hem zó laten begaan, zullen ze allemaal in Hem geloven; dan zullen de Romeinen komen, en ons land en volk verdelgen.

49 Maar één hunner, K&ifas, die dat jaar de hogepriester was, sprak tot hen: Weet gij geen uitkomst?

50 Beseft gij dan niet, dat het goed voor u is, dat één mens sterft voor het heil van het volk, en niet het hele volk te gronde gaat?

51 Dit zei hij niet uit zichzelf. Maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jesus sterven zou voor het heil van het volk;

52 en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen Gods bijeen te brengen.

35 Jezus weende.

36 De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had!

37 Maar sommigen van hen zeiden: Had Hij, die de ogen van den blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf ?

38 Jezus dan, wederom bij zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegen aan.

39 Jezus zeide: Neemt den steen weg! Martha, de zuster van den gestorvene, zeide tot Hem: Here, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag.

40 Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?

41 Zij namen dan den steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.

42 Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar terwille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.

43 En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten!

44 De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zeide tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan.

Het besluit om Jezus te doden.

45 Velen der Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in Hem;

46 maar sommigen van hen begaven zich naar de Farizeeën en zeiden hun, wat Jezus gedaan had.

47 De overpriesters en de Farizeeën dan riepen den Raad samen en zeiden: Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen?

48 Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen.

49 Maar één van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: Gij weet niets,

50 en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat.

51 Maar dit zeide hij niet uit zichzelf, doch als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk,

52 en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen.

44 De doode trad te voorschijn, de handen en voeten met grafdoeken gebonden, en zijn gelaat omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan.

44 En de dode kwam te voorschijn, de voeten en handen in windsels gewikkeld, en zijn gezicht met een zweetdoek omwonden. Jesus zei hun: Maakt hem los, en laat hem gaan.

)

47 Toen belegden de overpriesters en de Farizeën een vergadering, en zij zeiden: Wat moeten wij doen? want deze mensch doet vele teekenen.

Moordplannen en profetie van Kdifas. 47 Toen riepen de opperpriesters en farizeën de Hoge Raad bijeen. Ze zeiden: Wat doen we? Want die man doet veel wonderen.

Sluiten