is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wasschen is, heeft niet van noode, dan de voeten te wasschen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen. joh. 15 : 3.

11 Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein. joh. 6 : 64.

12 Als Hij dan hunne voeten gewasschen, en Zijne kleederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb?

13 Gij heet Mij Heester en Heere; en gii zegt wel, want Ik ben het.

Matt. 23 : 8, 10. 1 Kor. 8 : 6. 12 : 3. Filipp. 2 : 11.

14 Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wasschen.

Gal. 6 : 1, 2.

15 Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.

1 Petr. 2 : 21.1 Joh. 2 : 6.

16 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft.

Matt. 10 : 24. Luk. 6 : 40. Joh. 15 : 20.

17 Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zoo gij dezelve doet.

wasschen is, dien behoeven niet dan de voeten gewasschen te worden, en hij is reeds geheel rein; en gijlieden zijt rein, maar niet allen.

11 Want hij wist wie hem verraden zou; daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein.

12 Toen hij nu hunne voeten gewasschen had, nam hij zijne kleederen, en zette zich weder neder, en zeide tot hen: Weet gij wat ik u gedaan heb?

13 Gij noemt mij Meester en Heer, en zegt dit te recht, want ik ben het ook.

14 Indien dan ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewasschen heb, zoo zult gij ook elkander de voeten wasschen;

15 want een voorbeeld heb ik u gegeven, opdat gij doet gelijk ik u gedaan heb.

1 Petr. 2 : 21.

16 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: De knecht is niet grooter dan zijn heer, noch de apostel grooter dan die hem gezonden heeft.

Matth. 10 : 24.

17 Indien gij dit weet, zalig zijt gij, zoo gij het doet.

gebaad heeft heeft niet noodig zich te wasschen, behalve de voeten, maar is geheel rein. En gij zijt rein. maar niet allen.

11 Want hij wist, wie hem zou overleveren. Daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein.

12 Toen hij hun voeten gewasschen, zijn kleederen aangedaan had en weer was gaan aanliggen, zeide hij hun: Begrijpt gij wat ik u gedaan heb?

13 Gij noemt mij meester en heer, en doet het terecht, want ik ben het.

14 Indien dan ik, de heer en meester, uw voeten gewasschen heb, dan zijt gij ook verplicht elkanders voeten te wasschen.

15 Want een voorbeeld heb ik u gegeven; opdat gij zoudt doen zooals ik gedaan heb.

16 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, een slaaf is niet meer dan zijn heer, een gezant niet meer dan zijn zender.

17 Indien gij dit weet, zalig gij zoo gij het doet.

18 Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijne verzenen opgeheven.

Ps. 41 : 10. Matt. 26 : 23. 1 Joh. 2 : 19.

19 Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven moogt, dat Ik het ben.

Joh. 14 : 29. 16 : 4.

20 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zoo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.

Matt. 10 : 40. Luk. 10 : 16.

De ontmaskering van Judas.

21 Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.

Matt. 26 : 21. Mark. 14 : 18. Luk. 22 : 21. Hand. 1 : 17. 1 Joh. 2 : 19.

22 De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende, van wien Hij dat zeide.

23 En een van Zijne discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad.

Joh. 20 : 2. 21 : 7, 20.

24 Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch ware, van welken Hij dit zeide.

25 En deze, vallende op de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heere! wie is het ?

26 Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Isk&riot.

27 En na de bete, toen voer de Satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk.

De ontmaskering van Judas.

18 Ik zeg het niet van u allen; ik weet, wie ik verkoren heb, maar opdat de Schrift vervuld worde: „Die mijn brood eet, heft den voet tegen mij op."

Ps. 41 : 10.

19 Nu zeg ik het u, eer het geschiedt, opdat, wanneer het geschied is, gij gelooven moogt, dat ik het ben.

20 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie iemand aanneemt, dien ik zend, die neemt mij aan; en wie mij aanneemt, die neemt dengene aan die mij gezonden heeft.

Matth. 10 : 40. Luc. 9 : 48.

21 Toen Jezus dat gezegd had, Werd hij ontroerd in den geest, en betuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Een van u zal mij verraden.

Matth. 26 : 21—25. Mare. 14 : 18—21.

Luc. 22 : 21—"23.

22 Toen zagen de jongeren elkander aan, en waren in twijfel van wien hij dat zeide.

23 En er was een van zijne jongeren, zittende aan tafel aan de borst van Jezus, dien Jezus liefhad.

24 Dezen wenkte Simon Petrus, dat hij vragen zou wie het was, van wien hij dit zeide.

25 Deze nu, liggende aan Jezus' borst, zeide tot hem: Heer, wie is het?

26 Jezus antwoordde: Deze is het, dien ik de ingedoopte bete geven zal. En hij doopte de bete in, en gaf ze aan Judas, Simons zoon, Iskariot.

27 En na de bete voer de satan in hem. Toen zeide Jezus tot hem: Wat gij doet, doe dat haastig.

18 Wat ik zeg geldt niet van u allen; ik weet wie ik uitverkoren heb; maar de Schrift moet vervuld worden: Hij die mijn brood eet heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.

19 Reeds nu zeg ik het u, voordat het geschiedt; opdat gij wanneer het geschiedt moogt gelooven dat ik het ben.

20 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, wie een dien ik zenden zal ontvangt ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt mijn Zender.

Jezus wijst Judas aan als zijn verrader. 21 Toen Jezus dit gezegd had, werd hij innerlijk ontroerd en getuigde: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, een van u zal mij overleveren.

22 De leerlingen zagen elkander radeloos aan: wien bedoelde hij ?

23 Een zijner leerlingen lag in zijn schoot aan, hij dien Jezus liefhad.

24 Simon Petrus gaf dezen een wenk en zeide tot hem: Zeg ons, wien bedoelt hij ?

25 Deze boog zich achterover tegen de borst van Jezus en zeide tot hem: Heer, wien bedoelt gij ?

26 Jezus antwoordde hem: Hem aan wien ik een stuk brood, na het ingedoopt te hebben, zal geven. Toen nam hij een stuk brood en gaf het aan Judas Simonszoon van Iskariot.

27 En hiermee voer de Satan in hem. Jezus zeide tot hem: Wat gij doet doe het spoedig.