Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan door mij.

7 Indien gij mij gekend hadt, zoudt gij ook den Vader gekend hebben. Thans reeds kent gij hem, en hebt gij hem gezien.

8 Filippus zeide tot hem: Heer, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.

9 Jezus zeide tot hem: Zóó langen tijd ben ik bij u, en gij hebt mij niet gekend, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft den Vader gezien; hoe zegt gij dan: toon ons den Vader —?

10 Gelooft gij niet, dat ik in den Vader ben, en de Vader in mij is? De woorden, welke ik tot u spreek, spreek ik niet uit mijzelf; doch de Vader, die in mij woont, hij doet zijne werken.

11 Gelooft mij, dat ik in den Vader ben en de Vader in mij is. Zoo niet, gelooft dan om de werken zelf.

12 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: wie in mij gelooft, de werken, welke ik doe, zal ook hij doen, en grootere dan deze zal hij doen. Want ik ga tot mijn Vader:

13 en wat gij ook vragen moogt in mijnen naam, dat zal ik doen, opdat de Vader verheerlijkt worde in den Zoon.

14 Wanneer gij mij iets vraagt, in mijnen naam, ik zal het doen.

De belofte van den heiligen Geest.

15 Wanneer gij mg lief hebt, zult gij mijne geboden onderhouden.

16 En ik zal den Vader vragen, en hij zal u een anderen raadsman schenken, opdat die met u zij tot in eeuwigheid:

17 den Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet; maar gij kent hem, want hij blijft bij u en hij zal in u zijn.

18 Ik zal u niet als weezen achterlaten: ik kom tot u.

19 Nog een kleinen tijd en de wereld aanschouwt mij niet meer; maar gij aanschouwt mij, want Ik leef en gij zult leven.

20 Te dien dage zult gij erkennen, dat ik in mijnen Vader ben, en gij in mij en ik in u.

De liefde als voorwaarde van levensgemeenschap.

21 Wie mijne geboden bezit en ze onderhoudt, die is het, die mij liefheeft; hij nu, die mij liefheeft, zal door mijn Vader geliefd worden; en ik zal hem liefhebben en mij aan hem openbaren.

22 Judas, niet de Iskariot, zeide tot hem: Heer, wat is er dan geschied, dat gij u aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?

weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader, dan door Mij.

7 Daar gij nu Mij hsbt gekend, zult gij ook den Vader kennen; van dit ogenblik af kent gij Hem, en hebt gij Hem gezien. —

8 Filippus zei Hem: Heer, laat ons den Vader zien; dan zijn we tevreden.

9 Jesus sprak tot hem: Zo lange tijd ben Ik bij u, en kent ge Mij nog niet, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft den Vader gezien; hoe zegt ge dan: Laat ons den Vader zien?

10 Gelooft ge dan niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij ? De woorden, die Ik u toespreek, zeg Ik niet uit Mijzelf; het is dezelfde Vader, die in Mij blijft, en die de werken verricht.

11 Gelooft het van Mij: Ik ben in den Vader, en de Vader is in Mij.

12 Zo niet: gelooft het dan op grond van de werken.

De toegezegde hulp en genade. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, ook hij zal de werken doen, die Ik zelf verricht; en zelfs grotere zal hij doen. Want

ik ga naar aen vaaer;

ia en aiies zaï ik aoen, wat gij Hem zult vragen in mijn naam, opdat de Vader verheerlijkt wordt in den Zoon.

14 Wanneer gij ook Mij in mijn naam iets zult vragen, dan zal Ik het doen. —

15 Zo erii Mii liefhebt. onderhoudt

mijn geboden.

16 Dan zal Ik den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Helper geven, om bij u te blijven voor eeuwig.

17 Het is de Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, omdat ze Hem ziet noch kent; gij echter kent Hem; want Hij blijft bij u, en is in u. —

18 Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom tot u terug.

19 Nog korte tijd, en de wereld aanschouwt Mij niet meer; gij echter aanschouwt Mij. Want Ik leef, en ook gij zult leven.

20 Op die dag zult gij erkennen dat Ik in mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u. —

21 Wie mijn geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij liefheeft; maar wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden bemind, en ook Ikzelf zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren.

22 Judas, maar niet de Iskariot, sprak tot Hem: Heer, hoe komt het, dat Gij U wel aan ons wilt openbaren, maar niet aan de wereld?

weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij.

7 Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.

8 Philippus zeide tot Hem: Here, toon ons den Vader en het is ons genoeg.

9 Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Philippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons den Vader?

10 Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; doch de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken.

11 Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is;

12 of anders, gelooft om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot den Vader;

13 en wat gij ook vraagt in mijn naam. Ik zal het doen. ondnt rtp

Vader in den Zoon verheerlijkt worde.

14 Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.

Jezus belooft den Trooster. 15 Wanneer s:ii Mii liefhebt. zult

gij mijn geboden bewaren.

16 En Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn,

17 den Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.

18 Ik zal u niet als wezen achterlaten, Ik kom tot u.

19 Nog een korten tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven.

20 Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u.

21 Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.

22 Judas, niet Iskariot, zeide tot Hem: Here, en hoe komt het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?

Sluiten