is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23 Jezus antwoordde hem: Indien iemand mij liefheeft, zoo zal hij mijn woord bewaren; en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken.

24 Wie mij niet liefheeft, bewaart mijne woorden niet; en het woord, dat gij hoort, is niet mijn eigen woord, maar van hem die mij gezonden heeft: des Vaders woord.

Het werk van den heiligen Geest.

25 Dit heb ik tot u gesproken, terwijl ik nog bij u vertoefde.

26 Maar de raadsman, de heilige Geest, dien de Vader zenden zal in mijnen naam, hij zal u alles leeren en u indachtig maken alles, wat ik tot u gesproken heb.

De ware vrede.

Jezus' terugkeer tot den Vader.

27 Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik u; niet gaven als de wereld geeft, geef ik u. Uw hart worde niet ontrust en niet bevreesd.

28 Gij hebt gehoord, dat ik tot u gezegd heb: ik ga heen en ik kom tot u. Indien gij mij liefhadt, zoo zoudt gij u verheugen, dat ik tot mijn Vader ga: want de Vader is meerder dan ik.

29 En reeds nü heb ik het u gezegd, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied is, gij moogt gelooven.

30 Niet veel meer zal ik met u spreken, want de vorst der wereld komt; en aan mij heeft hij niets.

31 Maar, opdat de wereld moge weten, dat ik den Vader liefheb, en dat ik alles volbreng, gelijk de Vader mij bevolen heeft, — staat op, laten wij van hier gaan.

Levensgemeenschap met Jezus. Liefde en blijdschap.

1 Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman.

2 Elke rank aan mij, die geen vrucht draagt, neemt hij weg, en elke rank, die vrucht draagt, reinigt hij, opdat zij meer vrucht drage.

3 Gij zijt reeds rein, om het woord, dat ik tot u gesproken heb.

4 Blijft in mij en ik in u. Gelijk de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, indien zij aan den wijnstok niet blijft, alzoo ook gij niet, indien gij in mij niet blijft.

5 Ik ben de wijnstok, gij de ranken: wie in mij blijft en ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder mij kunt gij niets doen.

6 Wanneer iemand in mij niet blijft, die wordt buiten geworpen, als de rank en verdort; en men vergadert ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.

7 Wanneer gij in mij blijft, en mijne woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.

23 Jesus antwoordde hem: Zo iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; dan zal mijn Vader ook hem beminnen, en Wij zullen tot hem komen, en ons verblijf bij hem nemen.

24 Wie Mij niet liefheeft, onderhoudt mijn woorden niet; welnu het woord, dat gij hoort, is niet het mijne, maar dat van den Vader, die Mij heeft gezonden.

Vrede en vreugde tijdens de scheiding.

25 Dit alles heb Ik u gezegd, terwijl Ik nog bij u was.

26 Maar de Helper, de Heilige Geest, dien de Vader zal zenden in mijn naam, Hij zal u alles leren en alles u in herinnering brengen, wat Ik u heb gezegd.

27 Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart zij ontsteld, noch bevreesd. —

28 Gij hebt gehoord, dat Ik u zeide: Ik ga heen, maar Ik kom tot u terug. Zo gij Mij liefhadt, zoudt gij u verheugen, dat Ik naar den Vader ga; want de Vader is groter dan Ik. —

29 En nu, eer het geschied is, heb Ik het u gezegd; opdat gij moogt geloven, wanneer het geschiedt.

30 Ik zal niet veel meer met u spreken; want de vorst van de wereld is op komst. Zeker, hij vermag niets tegen Mij;

31 maar de wereld moet weten, dat Ik den Vader bemin, en dat Ik volbreng, wat de Vader Mij bevolen heeft. Staat op; laat ons heengaan.

De liefdeband tussen Jesus en de apostelen.

1 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijngaardenier.

2 Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, snijdt Hij af; en elke rank die wèl vrucht draagt, zuivert Hij, opdat ze nog meer vrucht mag dragen.

3 Reeds zijt gij rein door het woord, dat Ik tot u gesproken heb.

4 Blijft in Mij, en Ik blijf in u. Zoals de rank uit 'zichzelf geen vrucht kan dragen, maar alleen wanneer ze aan de wijnstok blijft, zo kunt ook gij het niet, wanneer gij niet blijft in Mij.

5 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, en Ik in hem, hij draagt rijke vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.

6 Zo iemand in Mij niet blijft, dan wordt hij weggeworpen als de rank, en verdort; men raapt ze bijeen, werpt ze in het vuur, en verbrandt ze.

7 Maar zo gij in Mij blijft, en mijn woorden in u blijven, vraagt dan al wat gij wilt, en gij zult het verkrijgen.

23 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.

24 Wie Mij niet liefheeft bewaart mijn woorden niet; en het woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar van den Vader, die Mij gezonden heeft.

25 Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl ik nog bij u verblijf;

26 maar de Trooster, de Heilige Geest, dien de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb.

27 Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld dien geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd of versaagd.

28 Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot den Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.

29 En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat gij geloven moogt, wanneer het geschiedt.

30 Niet veel zal Ik meer met u spreken, want de overste der wereld komt en heeft aan Mij niets, maar de wereld moet weten,

31 dat Ik den Vader liefheb en en zó doe, als Mij de Vader geboden heeft.

Staat op, laten wij van hier gaan.

De ware wijnstok.

1 Ik ben de ware wijnstok en mijn 15 Vader is de landman.

2 Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke, die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage.

3 Grj zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb;

4 blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan den wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.

5 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.

6 Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord, en mijn verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand.

7 Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.

15