is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19 Betert u dan, en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewischt worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,

Hand. 2 : 38.

20 En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u te voren gepredikt is;

19 Zoo doet nu boete en bekeert u, zoo zullen uwe zonden uitgedelgd worden, opdat de tijd der verkwikking kome van het aangezicht des Heeren,

20 wanneer hij zenden zal dengene, die u te voren gepredikt is, Jezus Christus,

19 Doet dan boete en bekeert u; opdat uw zonden mogen worden uitgewischt en tijden van verademing komen vanwege den Heer,

20 wanneer Hij den voor u bestemden Christus zendt, Jezus,

21 Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond al Zijner heilige profeten van alle eeuw.

22 Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen, gelijk mij; Dien zult gij hooren, in alles, wat Hij tot u spreken zal. Deut. 18 : 15.

18 : 19. Joh. 1 : 46. Hand. 7 : 37.

23 En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke.

24 En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zoovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.

25 Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uwen zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

Gen. 22 : 18. Gal. 3 : 8.

26' God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkeere van uwe boosheden.

Petrus en Joliannes voor het Sanhedrin. a 1 En terwijl zij tot het volk spra4 ken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman des tempels, en de Sadduceën;

2 Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de dooden.

3 En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond.

4 En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend.

21 dien de hemel moet opnemen

tot op den tijd der herstelling van alle dingen, waarvan God door den mond van al zijne heilige profeten van ouds af gesproken heeft.

22 Want Mozes heeft gezegd tot de vaderen: „Een profeet zal de Heer, uw God, u verwekken uit uwe broederen gelijk mij; dien zult gij hooren in alles, wat hij tot u spreken zal.

Deut. 18 : 15—18.

23 En het zal geschieden, dat wie dezen profeet niet hooren zal verdelgd zal worden uit het volk."

24 En alle profeten van Samuël af en daarna, zoovelen als er gesproken hebben, hebben van deze dagen verkondigd.

25 Gij zijt kinderen der profeten, en van het verbond, hetwelk God met onze vaderen gemaakt heeft, zeggende tot Abraham: „Door uw zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden."

Gen. 12 : 3. 18 : 18. 22 : 18. 26 : 4. 28 : 14.

26 Voor u het eerst heeft God zijn knecht Jezus opgewekt, en heeft hem gezonden, om u te zegenen, opdat ieder zich bekeere van zijne boosheid.

Petrus en Johannes voor den Hoogen Raad.

1 En terwijl zij tot het volk spraken, traden tot hen de priesters en de hoofdman des tempels, en de Sadduceën,

2 zeer ontevreden er over, dat zij het volk leerden, en in Jezus de opstanding uit de dooden verkondigden;

3 en zij sloegen de handen aan hen en zetten hen in de gevangenis tot op den morgen; want het was reeds avond.

4 Maar velen van degenen, die het woord aangehoord hadden, werden geloovig; en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend.

21 die in den hemel moet verblijfhouden tot de tijden van de herstelling aller dingen, waarvan God bij monde van zijn heilige profeten van oudsher gesproken heeft.

22 Want Mozes heeft gezegd: De Heere God zal voor u uit uw broeders een profeet doen opstaan, aan mij gelijk; naar al wat hij tot u spreken zal moet gij luisteren.

23 En ieder mensch die niet luistert naar dien profeet zal uitgeroeid worden uit het volk.

24 Ook hebben alle profeten van Samuel en die op hem volgden af, zoovelen gesproken hebben, deze dagen aangekondigd.

25 Gij, ja gij, zijt de zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen sloot, toen Hij tot Abraham zeide: In uw zaad zullen gezegend worden alle geslachten der aarde.

26 Aan u in de eerste plaats heeft God zijn dienaar, na hem opge¬

wekt te neooen, gezonuen om u uc zegenen, wanneer ieder uwer zich bekeert van zijn euveldaden.

Petrus en Johannes gevangen genomen en vrijgelaten.

1 Terwijl zij tot het volk spraken, kwamen de priesters, de tempelhoofdman en de Sadduceën,

2 verstoord omdat zij het volk leerden en in den persoon van Jezus de opstanding uit de dooden verkondigden;

3 zij sloegen de handen aan hen en zetten hen gevangen tot den volgenden dag; want het was reeds laat.

4 En velen van hen die de prediking aangehoord hadden werden geloovig. Het getal der mannen steeg tot ongeveer vijf duizend.

5 En het geschiedde des anderen daags, dat hunne oversten en ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden;

6 En Annas, de hoogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zoovele er van het hoogepriesterlijk geslacht waren.

7 En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan?

Ex. 2 : 14. Matt. 21 : 23. Hand. 7 : 27.

8 Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks, en gij ouderlingen van Israël!

5 Toen het nu morgen werd, vergaderden hunne Oversten en Oudsten en Schriftgeleerden te Jeruzalem,

6 ook Annas, de Hoogepriester, en Kajafas en Johannes en Alexander, en zoovelen er waren van het hoogepriesterlijk geslacht;

7 en zij stelden hen vóór zich, en vraagden hun: Door welke macht of in welken naam hebt gij dit gedaan?

Matth. 21 : 23b.

8 Petrus, vol van den Heiligen Geest, zeide tot hen: Gij, oversten des volks en gij Oudsten van Israël,

5 Den volgenden dag kwam de overheid met de oudsten en de schriftgeleerden in Jeruzalem samen,

6 ook de hoogepriester Annas, met Kajafas, Johannes, Alexander en allen die tot het hoogepriesterlijk geslacht behoorden,

7 lieten hen voorbrengen en vroegen: Door welke kracht en door welken naam hebt gij dat gedaan ?

8 Toen sprak Petrus, vol van den Heiligen Geest, tot hen: Oversten des volks en oudsten,