Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19 Komt dan tot inkeer en bekeert u, opdat uwe zonden worden uitgedelgd, en van 's Heeren wege de tijden der verademing mogen aanbreken,

20 en Hij Jezus, die voor u tot Christus bestemd was, moge zenden.

21 Want hij moet in den hemel verblijven tot de tijden, waarin alles wordt tot stand gebracht, waarvan God heeft gesproken bij monde van hen die van ouds zijn heilige profeten waren.

22 Immers Mozes heeft gezegd: Een profeet zal de Heeke God voor u doen optreden, uit uwe broeders, zooals mij; luistert naar hem bij alles wat hij tot u spreken zal.

23 Maar het zal geschieden, dat alle ziel, die naar dien profeet niet

it 7.rii willpn lnistprpn ïiifp-PTOPirl y.R.1

* worden uit het Volk.

24 En al de profeten, van Samuël en zijne opvolgers af, zoovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd.

19 Doet boete nu en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist;

20 opdat de tijden mogen aanbrekeen van 's Heren verkwikking, en opdat Hij Jesus doet komen, die u als de" Christus is voorbestemd,

21 en die nu in de hemel moet blijven wonen tot aan de tijden van het herstel aller dingen, waarvan God van ouds heeft gesproken door de mond zijner heilige profeten.

22 Moses toch heeft gezegd: „God, de Heer, zal voor u uit uw broeders een profeet doen opstaan, aan mij gelijk; naar Hem moet gij luisteren in alles wat Hij u zegt.

Deut. 18 : 15, 19.

23 En iedereen, die niet luistert naar dezen profeet, zal worden uitgeroeid uit het volk."

24 En al de profeten, allen, die van Samuël af en na hem hebben gesproken, hebben ook deze dagen voorspeld.

t 25 Gij nu zijt de zonen van de pro-

Ifeten en van de beschikking die God voor uwe vaderen getroffen heeft, toen hij tot Abraham sprak: IJ en in uw nakroost zullen alle geil slachten der aarde gezegend worII den.

I 26 Tot u het eerst heeft God zijn jj knecht gezonden, toen hij hem i deed optreden, om u daardoor te

i zegenen, dat een ieder uwer zich || van zijne boosheden bekeere.

I Petrus en Johannes

voor den Joodschen raad. - 1 Terwijl zij tot het volk spraken, 1 kwamen de priesters en de tem• pelhoofdman en de Sadduceën tot jj hen, zeer ontstemd,

: 2 omdat zij het volk leerden en j i in Jezus de opstanding uit de dooji den verkondigden.

I 3 En zij sloegen de hand aan hen

I i en stelden hen in verzekerde beIf waring tot den volgenden dag; 'j' want het was reeds avond.

: 4 Maar velen van hen die het 'j1 woord gehoord hadden, kwamen ;il tot geloof, en het getal der manli nen klom tot ongeveer vijf duiw zend.

! 5 En het geschiedde, dat tegen iji den volgenden dag in Jeruzalem i« een vergadering werd gehouden r van hunne leiders en oudsten en j| schriftgeleerden, l 6 terwijl ook Annas, de hooge: I priester, Kajafas, Johannes en 4 Alexander en zoovelen er tot het ijl hoogepriesterlijk geslacht behoor-

II den, aanwezig waren.

' 7 En nadat zij Petrus en Johannes T vóór hadden laten komen, stelden |s zij hun de vraag: Door welke (f macht of door welken naam hebt

tij dit gedaan?

Toen sprak Petrus, vervuld met

ii den heiligen Geest, tot hen:

25 Welnu, gij zijt de zonen van de profeten en van het Verbond, dat God met uw vaderen sloot, toen Hij tot Abraham sprak: „En in uw zaad zullen al de geslachten der aarde worden gezegend."

Gen. 22 : 18.

26 Tot u het eerst heeft God dus zijn Dienaar gezonden, dien Hij verwekt heeft, om u allen te zegenen, zo gij u van uw boosheid bekeert.

Petrus en Johannes gevangen.

1 Terwijl ze nog spraken tot het volk, kwamen de priesters met den hoofdman van de tempelwacht en de sadduceën op hen af,

2 vergramd, omdat ze het volk onderrichtten, en in Jesus' persoon de opstanding uit de doden verkondigden.

3 Ze sloegen de hand aan hen, en brachten ze in verzekerde bewaring tot de volgende morgen; want het was reeds avond.

4 Maar velen van hen, die de prediking hadden gehoord, werden gelovig; het getal der mannen steeg tot vijf duizend ongeveer.

Voor de Hoge Raad.

5 De volgende morgen kwamen de oversten, oudsten en schriftgeleerden van Jerusalem bijeen,

6 tezamen met Annas, den hogepriester, met K&ifas, Johannes en Alexander, en met allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden.

7 Ze lieten hen voorbrengen, en vroegen: Door welke macht en in wiens naam hebt gij dit gedaan?

8 Nu sprak Petrus, vervuld van den Heiligen Geest, hen toe: Oversten van het volk, en oudsten!

19 Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren,

20 en Hij den Christus, die voor u te voren bestemd was, Jezus, zende;

21 dien de hemel moest opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher.

22 Mozes toch heeft gezegd: De Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar dezen zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal;

Deut. 18 : 15, 18, 19. Hand. 7 : 37.

23 en het zal geschieden, dat alle ziel, die naar dezen profeet niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid.

Lev. 23 : 29.

24 En al de profeten, van Samuel af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd.

25 Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met onze vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw zaad zullen alle stammen der aarde gezegend worden.

Gen. 12 : 3. 18 : 18. 22 : 18. 26 : 4. 28 : 14.

Gal. 3 : 8.

26 God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht opgewekt en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.

Petrus en Johannes voor den Raad.

1 En terwijl zij tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, 4 de hoofdman van den tempel, en de Sadduceeën,

2 zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden;

3 en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot den volgenden dag, want het was reeds avond.

4 Maar velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijf duizend.

5 En het geschiedde tegen den volgenden dag, dat hun oversten en hun oudsten en hun schriftgeleerden bijeenkwamen te Jeruzalem,

6 en Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden;

7 en toen zij hen hadden laten voorkomen, wilden zij van hen weten: Door welke kracht of door welken naam hebt gij dit gedaan?

8 Toen zeide Petrus, vervuld met den heiligen Geest, tot hen: Oversten van het volk en oudsten,

Sluiten