is toegevoegd aan je favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 En hij liet Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard dooden.

3 En toen hij zag, dat dit den Joden welgevallig was, nam hij vervolgens ook Petrus gevangen — het was de tijd van het feest der ongezuurde brooden —;

4 en toen hij hem had laten grijpen, liet hij hem in de gevangenis zetten, en gaf hem aan vier viertallen soldaten over, om hem te bewaken, daar hij hem na het paaschfeest voor het Volk wilde leiden.

5 Petrus dan werd in de gevangenis in bewaring gehouden; maar van de gemeente ging aanhoudend een vurig gebed voor hem op tot God.

6 Toen Herodes dan op het punt stond, hem vóór te laten komen, sliep Petrus dien nacht tusschen twee soldaten in, terwijl hij met twee ketenen geboeid was en wachtposten voor de deur de gevangenis bewaakten.

7 En zie, daar verscheen een engel des Heeren, en licht straalde in het vertrek; en Petrus in de zijde stootende, wekte hij hem met de woorden: Sta haastig op! En zijn ketenen vielen hem van de handen.

8 De engel zeide tot hem: Doe uw gordel aan en bind uwe sandalen onder! En hij deed alzoo. En de engel zeide: Sla uw overkleed om en volg mij!

9 En hij ging naar buiten en volgde. En hij wist niet, dat het werkelijkheid was wat door den engel plaats vond; hij meende veeleer een gezicht te zien.

10 Nadat zij nu door den eersten en den tweeden wachtpost waren heengegaan, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidde; en deze ging van zelf voor hen open. En buitengekomen, gingen zij ééne straat door; toen ging de engel terstond van hem weg.

11 En toen Petrus tot zichzelf was gekomen, zeide hij: Nu weet ik zeker, dat de Heer zijn engel heeft uitgezonden, om mij te redden uit de hand van Herodes en uit al wat ik te duchten had van het Joodsche volk.

12 En nadat hij den toestand had overwogen, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die den bijnaam Markus droeg, waar velen vergaderd waren in gebed.

13 Toen hij nu aan de poortdeur aanklopte, kwam een jonge slavin, Rhodé genaamd, om open te doen;

14 en toen zij de stem van Petrus herkende, ontsloot zij van blijdschap de poort niet, maar snelde naar binnen, om te vertellen, dat Petrus voor de poort stond.

15 Doch zij zeiden tot haar: Gij zijt niet goed bij uw verstand! Maar zij bleef volhouden, dat het zoo was. Toen zeiden zij: Het is zijn engel.

2 Jakobus, den broer van Johannes, doodde hij met het zwaard.

Petrus' gevangenschap en bevrijding.

3 Toen hij zag, dat dit aan de Joden aangenaam was, liet hij ook Petrus gevangen nemen. Het was in de dagen der ongedesemde broden.

4 Zodra hij hem in handen had, sloot hij hem in de gevangenis op, en liet hem door vier afdelingen, elk van vier soldaten, bewaken. Het was zijn bedoeling, na het paasfeest hem voor het volk te brengen.

5 Maar terwijl Petrus in de gevangenis bleef opgesloten, werden er zonder ophouden door de Kerk voor hem gebeden opgedragen aan God.

6 Toen nu Herodes hem vóór zou laten komen, sliep Petrus die nacht tussen twee soldaten; hij was met twee kettingen geboeid, en wachters voor de deur bewaakten de kerker.

7 En zie, daar stond een engel des Heren, en een licht schitterde in de cel. Hij stiet Petrus in de zij, wekte hem, en sprak: Sta haastig op. En de kettingen vielen van zijn handen af.

8 De engel zei hem: Doe uw gordel om, en bind uw sandalen aan. Hij deed het. Hij vervolgde: Sla uw mantel om, en kom achter mij aan.

9 Hij ging naar buiten en volgde hem, zonder te weten, dat het werkelijkheid was, wat de engel gedaan had; hij meende een visioen te aanschouwen.

10 Ze gingen nu de eerste en de tweede wachtpost voorbij, en kwamen aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; deze ging vanzelf voor hen open. Ze traden naar buiten, sloegen een straat in: •— en plotseling was de engel verdwenen.

11 Nu kwam Petrus tot bezinning, en sprak: Thans weet ik zeker, dat de Heer zijn engel heeft gezonden, en mij heeft gered uit de hand van Herodes, en van al wat het volk der Joden verwachtte.

12 Hij dacht een ogenblik na, en ging naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, ook Markus genaamd, waar velen in gebed waren verenigd.

13 Toen hij aan de deur van het voorportaal klopte, kwam een dienstmeisje,, Rode genaamd, opendoen.

14 Maar toen ze de stem van Petrus herkende, opende ze van blijdschap het voorportaal niet; ze vloog naar binnen, om te vertellen, dat Petrus buiten het voorportaal stond.

15 Men gaf haar ten antwoord: Ge zijt niet goed wijs. Maar ze hield vol, dat het zo was. Nu zeide men: dan is het zijn engel.

2 En hij liet Jacobus, den broeder van Johannes, ter dood brengen met het zwaard;

3 en toen hij zag, dat dit den Joden welgevallig was, ging hij voort en nam ook Petrus in hechtenis. Nu waren het de dagen der ongezuurde broden.

4 En hij liet hem grijpen en zette hem gevangen, onder bewaking van vier viertallen soldaten, met het voornemen hem na het Paasfeest voor het volk te brengen.

5 Petrus dan werd in de gevangenis in bewaring gehouden, maar door de gemeente werd voortdurend tot God voor hem gebeden.

6 Toen nu Herodes van plan was hem te doen voorkomen, lag Petrus dien, nacht te slapen tussen twee soldaten, geboeid met twee ketenen, en schildwachten hielden voor de deur der gevangenis de wacht.

7 En zie, een engel des Heren stond bij hem en er scheen licht in het vertrek, en hij stootte Petrus in zijn zijde om hem te wekken en zijde: Sta snel op! En de boeien vielen van zijn handen.

8 En de engel zeide tot hem: Omgord u en bind uw sandalen aan. En hij deed aldus. En hij zeide tot hem: Sla uw mantel om en volg mij.

9 En hij volgde hem naar buiten en hij wist niet dat het werkelijkheid was, wat door den engel gedaan werd, maar hij meende een gezicht te zien.

10 En toen zij langs de eerste en de tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidde, welke van zelf voor hen openging. En buiten gekomen, gingen zij één straat ver en terstond daarna verliet de engel hem.

11 En Petrus tot zichzelf gekomen, zeide: Nu weet ik waarlijk, dat de Here zijn engel uitgezonden heeft en mij gerukt heeft uit de hand van Herodes en uit al wat het volk der Joden verwachtte.

12 En na een ogenblik van overleg, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, bijgenaamd Marcus, waar velen vergaderd waren in gebed.

13 En toen hij aan de deur van het voorportaal klopte, kwam een slavin, met name Rhóde, voor om te horen wat er was;

14 en toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap het voorportaal niet open, maar liep naar binnen om mede te delen, dat Petrus voor het portaal stond.

15 En zij zeiden tot haar: Gij spreekt wartaal. Doch zij bleef volhouden, dat het zo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.