is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Barnabas en Paulus te Cyprus. 4 Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucië, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.

Barnabas en Paulus te Cyprus. 4 Zij dan, uitgezonden door den Heiligen Geest, kwamen te Seleucië, en van daar voeren zij naar Cyprus.

4 Zij dan, aldus door den Heiligen Geest uitgezonden, daalden naar Seleucië af, voeren van daar naar Cyprus

5 En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het Woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot eenen dienaar.

Hand. 12 : 25.

6 En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij eenen zekeren toovenaar, eenen valschen profeet, eenen Jood, wiens naam was Bar-Jezus;

Hand. 8 : 9. 19 : 13.

7 Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, eenen verstandigen man. Deze, Barnabas en Paulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te hooren.

8 Maar Elymas, de toovenaar (want alzoo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keeren.

Ex. 7 : 11. 2 Tim. 3 : 8.

9 Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de oogen op hem houdende, zeide:

10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid! zult gij niet ophouden te verkeeren de rechte wegen des Heeren ?

11 En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor eenen tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis; en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.

12 Als de stadhouder zag, hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.

5 En toen zij in de stad Salamis kwamen, verkondigden zij het woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot helper.

Hand. 12 : 25.

6 En toen zij het eiland doortrokken tot Pafos toe, vonden zij een toovenaar en valschen profeet, een Jood, genaamd Bar-Jezus,

7 welke was bij Sergius Paulus, den landvoogd, een verstandig man. Deze riep Barnabas en Saulus tot zich, en begeerde het woord Gods te hooren.

8 Toen wederstond hen Elymas, de toovenaar, — want zoo wordt zijn naam overgezet — en zocht den landvoogd van het geloof af te wenden.

9 Maar Saulus, — die ook Paulus genaamd is —, vol des Heiligen Geestes, zag hem aan, en zeide:

10 Gij kind des duivels, vol van alle bedrog en alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, gij houdt niet op de rechte wegen des Heeren te verkeeren.

11 En nu, zie, de hand des Heeren komt over u, en gij zult blind zijn en een tijd lang de zon niet zien. En terstond viel op hem donkerheid en duisternis, en rondgaande, zocht hij iemand om hem bij de hand te leiden.

12 Toen de landvoogd zag hetgeen geschied was, geloofde hij, getroffen zijnde door de leer des Heeren.

5 en predikten, te Salamis gekomen, in de synagogen der Joden het woord Gods. Zij hadden Johannes tot dienaar.

6 Toen zij het geheele eiland tot Pafos toe waren doorgetrokken, vonden zij daar een waarzegger, een Joodschen leugenprofeet, Barjezus genaamd,

7 die tot het gevolg van den stadhouder Sergius Paulus behoorde. Deze, een man van doorzicht, ontbood Barnabas en Saulus en begeerde het woord Gods te hooren.

8 De waarzegger Elymas — dit is de vertaling van zijn naam —• kwam tegen hen op en trachtte den stadhouder van het geloof afkeerig te maken.

9 Maar Saulus — die ook Paulus heet —- zeide, vervuld van heiligen geest, terwijl hij hem scherp aankeek:

10 Gij mensch vol van allerlei bedrog en arglist, duivelskind, vijand van alle gerechtigheid, wilt gij wel eens ophouden des Heeren rechte wegen bochtig te maken!

11 Zie dan, de Heer keert zijn hand tegen u: gij zult tot tijd en wijle zoo blind zijn dat gij de zon niet ziet. Dadelijk viel op hem nevel en duisternis; rondtastend zocht hij naar wie hem bij de hand zouden leiden.

12 Op het gezicht hiervan werd de stadhouder een geloovige, diep getroffen door de leer des Heeren.

Paulus te Antiochië.

13 En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, eene stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weder naar Jeruzalem.

Hand. 15 : 38.

14 En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, eene stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.

15 En na het lezen der wet en der profeten, zonden de oversten der synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er eenig woord van vertroosting tot het volk in u is, zoo spreekt.

16 En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zeide: Gij Israëlietische mannen, en gij, die God vreest, hoort toe.

Hand. 12 : 17. 19 : 33. 21 : 40.

17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land

Paulus te Antiochië in Klein-Asië.

13 Toen nu Paulus en die bij hem waren van Pafos afgevaren waren, kwamen zij te Perge, in Pamfylië; maar Johannes scheidde van hen en keerde weder naar Jeruzalem.

Hand. 15 : 38.

14 En zij, van Perge voorttrekkende, kwamen te Antiochië, in Pisidië, en gingen in de synagoge op den sabbatdag, en zetten zich neder.

15 En na het lezen der Wet en der Profeten zonden de oversten der synagoge tot hen en lieten hun zeggen: Mannen broeders, wilt gij iets spreken en het volk vermanen, zoo zegt het.

16 Toen stond Paulus op en wenkte met de hand, en zeide: Gij mannen van Israël, en gij, die God vreest, hoort toe!

17 De God van dit volk heeft onze vaderen verkoren, en het volk verhoogd, toen zij vreemdelingen waren in Egypteland, en met een

13 Van Pafos in zee gestoken vertrok het reisgezelschap van Paulus naar Perge in Pamfylië. Daar scheidde Johannes zich van hen; hij keerde naar Jeruzalem terug;

14 maar zij trokken van Perge af het land door tot Antiochië in Pisidië. Op den sabbat gingen zij naar de synagoge en namen er plaats.

15 Na de voorlezing van Wet en Profeten zonden de opzieners der gemeente iemand tot hen met de noodiging: Broeders, indien gij het een of ander woord van opwekking voor de gemeente hebt, spreekt dan.

16 Toen stond Paulus op, wenkte met de hand om stilte en sprak: Israëlieten en godvreezenden, luistert.

17 De God van dit volk Israël j heeft onze vaderen uitverkoren en • het volk, toen het als vreemden in Egypte leefde, sterk gemaakt, het