is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11 En de scharen, ziende, hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hunne stemmen, en zeiden in het Lycaónisch: De goden zijn den menschen gelijk geworden, en tot ons nedergekomen. Hand. 28 : 6.

12 En zij noemden B&rnabas Jüpiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde.

13 En de priester van Jüpiter, die voor hunne stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen.

14 Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat hoorende, scheurden hunne kleederen, en sprongen onder de schare, roepende,

15 En zeggende: Mannen! waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook menschen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is;

Hand. 10 : 26. Openb. 19 : 10. 22 : 9. Gen. 1 : 1. Ps. 33 : 6. 124 : 8. 146 : 6.

Openb. 14 : 7.

16 Welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hunne wegen;

Ps. 81 : 13.

17 Hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vroolijkheid.

Rom. 1 : 19.

18 En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden.

11 En toen het volk zag wat Paulus gedaan had, verhieven zij hunne stemmen en zeiden in het Lykaonisch: De goden zijn den menschen gelijk geworden en tot ons nedergekomen.

12 En zij noemden Barnabas Jüpiter, en Paulus Mercurius, dewijl hij het woord voerde.

13 En de priester van Jupiter, uit den tempel, die vóór hunne stad was, bracht ossen en kransen voor de poort, en wilde offeren met het volk.

14 Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hunne kleederen en sprongen onder het volk, en riepen

15 en zeiden: Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn menschen van gelijke natuur als gij, en verkondigen u, dat gij u bekeeren moet van deze ijdelheden tot den levenden God, die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al wat daarin is:

Hand. 10 : 26. Gen. 1 : 1. Hebx. 9 : 6.

Ps. 146 : 6.

16 die in de verledene tijden alle heidenen heeft laten wandelen in hunne eigene wegen;

17 hoewel Hij zich niet onbetuigd gelaten heeft, maar ons veel goeds heeft gedaan, en van den hemel regen en vruchtbare tijden gegeven, onze harten vervullende met spijs en vreugde.

18 En toen zij dat zeiden, weerhielden zij nauwelijks het volk, dat zij hun niet offerden.

11 Toen de schare zag wat Paulus deed, riep zij in het Lycaónisch: De goden zijn in menschengedaante tot ons neergedaald!

12 Zij noemden Barnabas Zeus, en Paulus Hermes, omdat hij het woord voerde.

13 En de priester van Zeus, wiens tempel buiten de stad stond, bracht stieren en kransen naar de poorten en wilde met het volk een offer brengen;

14 maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dit hoorden, scheurden zij hun kleederen, sprongen onder de schare en riepen:

15 Mannen, wat doet gij daar! Wij zijn menschen van gelijke natuur als gij, en prediken u dat gij u van die valsche goden bekeeren moet tot den levenden God, die den hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is gemaakt heeft.

16 Hij heeft in de vorige menschengeslachten alle volken hun eigen weg laten gaan;

17 hoewel Hij zich niet onbetuigd liet door wel te doen, door van den hemel u regen en vruchtbare tijden te geven en door uw hart met spijs en vreugde te verzadigen.—

18 Door zoo te spreken weerhielden zij met moeite de schare offers aan hen te brengen.

Terugkeer naar Antiochië.

19 Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Ikónium, en overreedden de scharen, en steenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, meenende, dat hij dood was.

2 Kor. 11 : 25.

20 Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op, en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe.

Terug naar Antiochië.

19 Maar er kwamen derwaarts Joden van Antiochië en Ikonië, en overreedden het volk, en steenigden Paulus, en sleepten hem de stad uit, meenende dat hij dood was.

20 Maar toen de jongeren hem omringden, stond hij op en ging in de stad. En des anderen daags ging hij uit met Barnabas naar Derbe.

19 Maar er kwamen Joden van Antiochië en Iconium die het volk ompraatten, Paulus steenigden en hem, meenend dat hij dood was, de stad uitsleepten.

20 Doch toen de leerlingen om hem gingen staan, stond hij op en ging de stad in. Den volgenden dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe.

21 En als zij derzelve stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre, en Ikónium, en Antiochië;

22 Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.

Hand. 11 : 23. 13 : 43. Matt. 10 : 38. 16 : 24. Luk. 24 : 26. 2 Tim. 3 : 12.

23 En als zij hun in elke Gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in Welken zij geloofd hadden.

24 En nu Pisidië te zijn doorgebende, kwamen zij in Pamfylië.

25 En als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attcllië.

21 En zij predikten aan deze stad het evangelie, en maakten vele jongeren, en trokken weder naar Lystra en Ikonië en Antiochië;

22 en zij versterkten de zielen der jongeren, hen vermanende, dat zij 'in het geloof zouden blijven, daar wij door vele droefenissen in het rijk Gods moeten ingaan.

23 En zij verordenden hun oudsten in iedere gemeente, en baden en vastten, en bevalen hen den Heer, in wien zij geloovig geworden waren.

24 En zij trokken door Pisidië, en kwamen in Pamfylië,

25 en spraken het woord te Perge, en trokken af naar Attalië;

21 Nadat zij in die stad gepredikt en veel leerlingen gemaakt hadden, keerden zij over Lystra en Iconium naar Antiochië terug.

22 Zij bemoedigden in die plaatsen de leerlingen, vermaanden hen in het geloof te volharden en predikten: Wij moeten door veel verdrukkingen in het Koninkrijk Gods ingaan.

23 Ook stelden zij voor hen in elke gemeente met handoplegging oudsten aan, en vertrouwden hen, onder bidden en vasten, toe aan den Heer, in wien zij hadden leeren gelooven.

24 Zoo trokken zij Pisidië door, kwamen in Pamfylië,

25 en daalden, na in Perge het woord verkondigd te hebben, naar Attalië af.