is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 inzonderheid bedroefd om het woord dat hij had gesproken, dat zij zijn aangezicht niet meer zouden zien. En zij deden hem uitgeleide naar het schip.

Paulus te Tyrus en

Cesaréa voor de reis naar Jeruzalem gewaarschuwd.

1 Toen wij ons nu van hen hadden losgerukt en waren afgevaren, liepen wij recht op Kos aan, en den volgenden dag naar Rhodus en vandaar naar Pé,tara.

2 Hier vonden wij een schip, dat juist over zou steken naar Fenicië; en wij gingen aan boord en voeren af.

3 Nadat wij Cyprus in zicht hadden gekregen en het aan de linkerhand hadden laten liggen, voeren wij naar Syrië en kwamen te Tyrus aan land; want daarheen was het schip bevracht.

4 Nadat wij daar de discipelen hadden gezocht en gevonden, bleven wij er zeven dagen. En zij zeiden Paulus door den Geest, dat hij niet moest doorgaan naar Jeruzalem.

5 En toen wij deze dagen ten einde hadden gebracht, vertrokken wij en zetten de reis voort, terwijl zij allen, met vrouwen en kinderen, ons uitgeleide deden tot buiten de stad. En nadat wij, nedergeknield op het strand, gebeden hadden, namen wij van elkander afscheid.

6 En wij gingen aan boord van het schip, en zij keerden naar huis terug.

ze waren vooral bedroefd, om¬

dat hij gezegd had, dat ze hem niet zouden weerzien. Daarna deden ze hem uitgeleide naar het schip.

Van Milete naar Cesarea.

1 Toen we afscheid van hen hadden genomen en afgevaren waren, stevenden we rechtdoor naar Kos, de volgende dag naar Rodus, en vandaar naar PStara.

2 Hier troffen we een schip, dat naar Fenicië voer; we gingen aan boord en staken in zee.

3 Toen we Cyprus in het gezicht kregen, lieten we het links liggen, zetten koers naar Syrië, en landden te Tyrus; want daar moest het schip de lading lossen.

4 We zochten daar de leerlingen op, en bleven er zeven dagen lang; ze bezwoeren Paulus door den Geest, niet naar Jerusalem te gaan.

5 Nadat we er die dagen hadden doorgebracht, vertrokken we, en reisden verder; allen vergezelden ons met hun vrouwen en kinderen tot buiten de stad. Op het strand knielden we neer in gebed;

6 toen zeiden we elkander vaarwel. Wij bestegen het schip, en zij keerden naar huis terug.

38 het meest bedroefd over het woord, dat hij gesproken had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij deden hem uitgeleide naar het schip.

Paulus te Tyrus en te Caesaréa.

1 En het gebeurde, toen wij in 21 zee waren, nadat wij ons van hen hadden losgescheurd, dat wij recht

op Cos aankoersten en den dag daarna op Rhodus en van daar op Patara.

2 En nadat wij een schip gevonden hadden, dat naar Phenicië zou oversteken, gingen wij aan boord en voeren af.

3 En toen wij Cyprus in zicht gekregen hadden en het links hadden laten liggen, voeren wij naar Syrië en kwamen te Tyrus aan, want daar zou het schip zijn lading lossen.

4 En wij vonden de discipelen en bleven daar zeven dagen. Dezen zeiden Paulus door den Geest, dat hij zich niet naar Jeruzalem moest inschepen.

5 Toen het nu zóver was, dat wij de dagen hadden voleindigd, gingen wij vandaar verder op reis, terwijl zij ons allen met vrouwen en kinderen uitgeleide deden tot buiten de stad; en op het strand knielden wij neder,

6 baden en namen afscheid van elkander. Wij gingen scheep en zij keerden naar huis terug.

7 Wij nu brachten onze zeereis ten einde en kwamen van Tyrus te Ptolemaïs; en na de broeders te hebben begroet, bleven wij één dag bij hen.

8 En den volgenden dag vertrokken wij en kwamen te Cesaréa; en wij gingen in huis bij Filippus, den evangelist, die een van de zeven was, en wij bleven bij hem.

7 We zeilden nu van Tyrus naar Ptolemaïs, waar we onze zeereis ten einde brachten; we gingen er de broeders begroeten, en vertoefden één dag onder hen.

Paulus te Cesarea.

8 De volgende dag vertrokken we weer, en kwamen te Cesarea aan. We begaven ons naar het huis van Filippus, den evangelist, een van de zeven, en we bleven bij hem;

7 Na afloop van de vaart van Tyrus uit kwamen wij te Ptolem&is aan, begroetten de broeders en bleven één dag bij hen.

8 En den volgenden dag gingen wij vandaar en kwamen te Caesaréa; en gekomen in het huis van Philippus, den evangelist, die behoorde tot de zeven, bleven wij bij hem.

9 Hij nu had vier ongehuwde dochters, die de gave der profetie bezaten.

10 Gedurende ons verblijf, dat verscheidene dagen duurde, kwam uit Judea een profeet, met name Agabus.

11 En hij kwam ons bezoeken; en den gordel van Paulus nemend, bond hij zich de voeten en de handen en zeide: Zoo spreekt de heilige Geest: den man, wien deze gordel toebehoort, zullen de Joden te Jeruzalem aldus binden en overleveren in de handen der heidenen.

12 Toen wij dat hoorden, smeekten wij, met de discipelen ter plaatse, dat hij de reis naar Jeruzalem niet zou voortzetten.

13 Toen antwoordde Paulus: Wat doet gij, zoo te weenen en mij het hart week te maken? Want ik ben bereid, niet alleen om mij te laten binden, maar ook om te sterven

9 hij had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren.

10 Terwijl we daar meerdere dagen vertoefden, kwam er een profeet uit Judea aan, Agabus genaamd.

11 Toen hij ons kwam bezoeken, nam hij de gordel van Paulus, bond zich handen en voeten, en sprak: Dit zegt de Heilige Geest: „Zó zullen de joden te Jerusalem den man binden, wien deze gordel behoort, en hem overleveren in de handen der heidenen."

12 Toen we dit hoorden, drongen we met de broeders dier plaats er op aan, dat hij niet naar Jerusalem zou gaan.

13 Maar Paulus antwoordde: Waarom weent gij, en breekt mij het hart? Ik ben immers bereid, mij te Jerusalem niet alleen te laten binden, maar er zelfs te

9 Deze had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren.

10 En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judéa een zeker profeet, genaamd Agabus.

11 Toen deze bij ons gekomen was, nam hij den gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, van wien deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zó binden en uitleveren in de handen der heidenen.

12 Toen wij dit hoorden, verzochten zowel wij als de broeders daar ter plaatse hem, niet op te gaan naar Jeruzalem.

13 Toen antwoordde Paulus: Wat doet gij, dat gij weent en mijn ha,rt week maakt? Want ik voor mij ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te ster-

19